Postume brief voor Mr. of Mevr. School

Het zal in uw tijd wel een goed idee geweest om een soort van leersysteem te voorzien waarin kinders in groep kennis konden uitlepelen uit de kom der wijsheid dat werd voorgeschoteld door een sujet die het min of meer allemaal beetje tot zeer goed kan uitleggen. Indien dat laatste niet het geval was, kon deze persoon zich nog altijd gerechtigd voelen tot machtsmisbruik. Op zich begrijp ik het idee erachter het wel. Het houdt de kinders van de straat waardoor er meer rust en orde is voor deftige mensen die overdag niets van het gejank, gekres en puberale koketterieën te maken willen hebben. Zo zijn voetbalstadia ook ontstaan en dat vind ik prima. Maar er is een groot verschil! In een voetbalstadium komt men mijns inziens vrijwillig. Het kan gebeuren dat er een briefje van de huisarts meegegeven wordt waarop deze persoon toestemming krijgt om zichzelf eventjes uit de maatschappij te verwijderen om terug op krachten te komen, maar dat is de minderheid. Bovendien ga ik ga uit dat ze deze mensen in de loge zetten. Ik zeg het, ik kom daar niet binnen. Ik heb genoeg voetballen tegen het hoofd gesjot gekregen om mijn liefde voor deze wellicht edele balsport voorgoed te verspelen.

Helaas is het in het onderwijs anders. Zo gauw ze het leuke potje van onze zindelijkheidstraining van onder onze schattige bips wegtrekken moeten wij ons en masse begeven naar zo’n onderwijsstadium. Ik heb het ook meegemaakt. Hoewel, meegemaakt klinkt wat actief. Ik heb het moeten ondergaan. Achteraf bekeken kan ik mijzelf niet van de indruk ontdoen dat er bij de realisatie van zulk een – in eerste instantie – nobel streven toch het één en het ander wreed over het hoofd gezien werd. Hoe komt het nou toch dat als men een systeem voor kinderen uitdoktert, men metéén in gegeneraliseerde termen beginnen te denken? Het woord kinderen staat dan gelijk aan het gehakt dat we via een spuit door een schoongemaakte varkensdarm sturen. En volgens ons watervalsysteem heb je zo fijne worsten gemaakt van de filet puur van een edel rund, gemiddelde worsten van het betere slachtafval van de lokale door de overheid gecontroleerde slagerijen, boerenworsten waarin het restafval van boerderijen gemend wordt met broodkruim en flink wat kruiden en als laatste Frankfurter/Zwanachtige worsten die ik weet niet wat verpulverd spul bevat dat via een chemisch proces aan elkaar wordt gehouden zonder darm. Erg lekker trouwens, ’s avonds bij TV met wat mosterd en of ketchup. Maar ik wijk af. Het is de symboliek die hier moet zegevieren. Ik ben de heks van Hans en Grietje niet.

Nee, ik was David. En David stond niet gelijk aan Jan, Piet of Chareltje. Op mijn lengte na leek ik zelfs niet op ze. Ik had gehéél andere interesses dan hen. Waar zij als een kat achter een bolletje wol achter een plastieken bal konden rennen, zat ik na te denken over hoe ik deze speeltijd weer zou overleven. Waar turnlessen bedoeld zijn om de mateloze energie die kinders in zich hebben een beetje te kanaliseren, was ik tegen de tijd dat ik mijn turnpakje aan had al zodanig uitgeput van de spanning dat ik geen zin meer had om over welke bok dan ook te springen. Waar uitstapjes vol van jolijt en vrolijkheid hadden moeten zijn, zat ik al van bij het uitstappen uit de wagen van mijn ouders mijzelf af te vragen of ik ze ooit nog zou wederzien. Ik kon uren spenderen aan gewoonweg nadenken over hoe ik dit alles kon overleven. Wat je voedt groeit. Ook in mijn geval. Na een aantal jaren wist ik dat ik maar maximaal drie keren per schooljaar mijzelf ziek kon veinzen zonder dat het zou opvallen om tijdens te speeltijden lekker alleen binnen in de klas te mogen blijven. Per week kon ik maximaal maar twee keren tijdens een speeltijd zeggen dat ik naar de grote WC moest om daar rustig in stilte te wachten tot de bel ging. Anders werd het verdacht. Ik heb een jaar in het zangkoor gezeten gewoon omdat die hun repetities tijdens de middagspeeltijd was. Alweer één speeltijd gewonnen. Toen mijn ouders mij vroegen of ik ’s middags boterhammetjes wou eten of liever warm, was het geen keuze van smaak of voorkeur. Het was de keuze tussen: met honderden tegelijk aan rijen van tafels in een oorverdovende eetzaal gaan zitten, of met een kleiner groepje (later alleen) naar één of andere grootkeuken gaan waar zowat alle leeftijden (volwassenen en kinderen) onderling zaten te eten in min of meer beschaafdere omstandigheden. Ik heb een tijdje gedaan alsof ik schaken leuk vond, gewoon omdat een leraar zijn lokaal daar ’s middags voor beschikbaar stelde om met elkaar te schaken. Lekker rustig! Ik was stikjaloers op leeftijdsgenoten die “als straf” niet mee buiten mochten spelen. Als straf? Mijn god, ik zou niet liever gedaan hebben! Maar ik was te braaf.

Dus, mijnheer of mevrouw School, ik wil jullie niet persoonlijk verantwoordelijk stellen voor het uitvinden van de school, maar toch ga ik dat doen. Er is mij té veel onrecht aangedaan in jullie systeem van onderwijzen. Let wel, ik werd graag onderwezen, ik was leergierig en nieuwsgierig naar de dingen des levens, ik stond open voor alle curiositeiten van de wereld, maar niet in die context waarin jullie het mij brachten. Waarom boden jullie geen alternatieven aan voor kinderen die niet aan de meute konden voldoen? Had gewoon een deurtje open gelaten van een kamer waarin ik mijzelf in stilte kon terugtrekken om in wat boeken te kijken terwijl de anderen achter de bal aanliepen. Ik had echt nog steeds op tijd in de rij gestaan hoor als de bel ging. Echt wel. Op mij had niemand toezicht moeten houden.

Okay, ik was in de minderheid maar is de wereld niet gevormd door de enkeling die anders is/denkt dan de rest? Denkt u nu werkelijk dat het wiel uitgevonden is door iemand die dacht: “Nou, iedereen sleurt zich de pleuris, ik ook dan maar.” Het horloge zal ook niet bedacht zijn door iemand die wel tevreden was met de stok in de grond. Ik had de nieuwe Larry Page kunnen wezen! (Eén van de uitvinders van Google, zo blijkt… op Google.) Jullie lieten het tevens uitschijnen alsof ik de enige was die “er wel zal uitgroeien”. Is het niet een beetje alsof ze voor de tweede maal in mijn leven de pot van onder mijn billen rukken om pas in deze tweede helft van mijn bestaan te beseffen dat ik helemaal niet de enige was? Wat een mooi ding is het internet wat dat betreft. Ik ben/was misschien inderdaad de enige in een straal van één kilometer rondom mijn fysieke uitstraling, maar er zijn véle kilometers op deze wereldbol en ik geloof nu dat er in élke van deze kilometer wel één iemand is die er hetzelfde over denkt. Dus ook als er zich in één van jullie onderwijsstadia maar één zulk iemand is, gelieve hem dan in de watten te leggen en te koesteren. Voorzie in alle groepsgebeurtenissen een alternatief voor dat kleine wonder.

Tenslotte, mijnheer of mevrouw School, ik weet dat bij elke meute een zekere vorm van gezag aanwezig moet zijn om alles in goede banen te leiden. Het volk en masse, volwassen en kinderen gelijk, is een kiekenmonster zonder kop. Het loopt maar van hier naar ginder zonder zichzelf ook maar enige rekenschap te geven van zijn omgeving of de wereld waarop ze leven. Hoe jullie het gezag ook organiseren, natuurlijk of via psychisch of fysiek geweld, laat me jullie daarbij nog één goede raad geven. Maak van jullie WC’s de trots van het stadium. Een volwassene straalt maar zoveel gezag uit als de netheid waarin hij of zij de WC-ruimtes laat bestaan. Moest ik een kind hebben, ik zou hem elke dag naar de andere kant van het land willen brengen omdat ik wéét dat de WC’s daar proper en onderhouden worden. Ik weet dat dit een moeilijke is. Zelfs in bedrijfsstadia waar de reden en de volwassenheid heerst, worden toiletten vaak in zulke staat achter gelaten, dat je meer zin hebt om het ganse gebouw terug from scratch herop te bouwen, dan om ook maar één meter in de buurt van die WC te komen. Als ik ooit moest ontdekken dat de persoon die deze toestand heeft veroorzaakt op het einde van het jaar mijn evaluatieverslag opstelt, nou dan zal ik me daar toch wel eens héél goed over nadenken over hoe ik hem of haar de volgende keer zal begroeten. Laat de beurten, proeven en examens niet enkel over de kennis gaan, maar check ook eens af en toe (letterlijk achter hun gat) naar de staat van de WC ruimte die de drommels achterlaten. Via rapportage kan ook dat worden vermeld naar de ouders toe: “Pietje is een vlijtige leerling, maar hij heeft nog veel aansporing nodig op het vlak van algemeen respect en hygiëne.” Als jullie uitvinding ertoe kan leiden dat iedereen, de uitzondering én de meute, tot wederzijds respect en waardering kan opgeleid worden én als ik daarvan de bewijzen kan terugvinden in het kleinste kamertje, dan berg ik stante pede mijn toorn op.

Advertenties

As uit de kas

“Waarom nou toch? Is het wel nodig? We hebben allemaal toch wel een beetje as in onze kas.”

Wel doe het dan zelf. Dit is mijn schamele poging om het een plaatsje te gunnen. Elk vogeltje fladdert zoals het bevleugeld is. Tot voor twee jaren geleden dacht ik dat het gewoon stof was. Stof om over na te denken of met een therapeutische vod op te ruimen. Misschien is het dat nog steeds. Weet ik veel. Wat voor de ene stof is, kan voor de ander as zijn. En vice versa tot in het oneindige amen en uit. Er moeten geen grenzen getrokken worden maar een beetje houvast, een muurtje om langs te lopen, is best wel fijn. As doet dat meer voor mij dan stof. Ben ik daarin verkeerd? Zijn zij die daarop een concreet antwoord hebben wel gerechtigd om daarop een concreet antwoord te geven? In twijfel zit waarheid. Een keuze of een zekerheid zonder twijfel is wérkelijk een stoornis.

Ik ben volwassen geworden met het idee: “Grote gebreken eisen grote verantwoordelijkheid om ze toe te dekken.” Van as was geen sprake tijdens mijn opvoeding. We spreken dan de jaren tachtig negentig. De enige as die ze toen kende was die van waar we zullen wederkeren en de inhoud van de asbakken in café’s, restaurants, werkplekken, ziekenhuiskamers, automatten en salontafels. Een kind dat gedurende elke speeltijd op school altijd tegen één en dezelfde deur blijft staan, het liefst waar de toezichthouder stond, werd in het beste geval als braaf beschouwd, in het andere geval als raar. “Ga toch spelen gast!”
“Maar ik wil niet spelen!”
“Wel, hier moogt ge niet staan. Dit is de deur van de toezichthouder.”
Daar ga je dan. De chaotische meute tegemoet op zoek naar tijdelijk een ander plekje. Dat het tijdelijk was, dat wist ik wel. Het begrip “geestelijke gezondheid” kon ik op die leeftijd natuurlijk nog niet vatten, maar dat die leerkracht die me wegstuurde daar geen groot talent in was, dat had ik wél al door. Misschien wou zij niet dat ik haar gesprekken kon meeluisteren. Ik vond die gesprekken nochtans véél interessanter dan alles waarover mijn leeftijdsgenoten spraken. Die gesprekken gingen over het échte leven. De achterkant van het toneel. Dat was iets hélemaal anders dan het geroep, gekres, gestamp en gesjot waar ik op stond neer te kijken. Was dat nu mijn wereld? Ik wou veel liever tot die van de volwassenen behoren. Daarvoor zou ik nog veel geduld moeten hebben. Dat wist ik.

Nederig moest ik zijn. En stil. Niet opvallen. Rustig ademhalen tot ik volwassen ben. Ik was het stilste jongetje van de klas. Op mijn rapport vertaalde dit zich naar braaf: “Waren alle leerlingen maar zo braaf als David.” Hoe minder ik echter wou opvallen, hoe meer ik het deed. Tot grote vreugde van de leidersfiguren van de klas. Met mij konden ze scoren tegenover hun volgers. Ik deed nooit iets terug. Toen begreep ik nog niet wat hier allemaal aan de hand was. Waarom doen die zo tegen mij? Wat heb ik hén aangedaan om dit te verdienen? Volwassenen raadden mijn aan om er mij niets van aan te trekken. Hoe doe ik dat? Via de televisie kende ik wel iemand die van een andere planeet kwam waar het iedereen aangeleerd werd om gevoelens buiten te sluiten en puur op logisch redeneren te functioneren. Nou, dat leek me wel wat. Dé ideale oplossing om het mij allemaal niet aan te trekken. Ik had geen idee hoe ze het aangeleerd kregen op die planeet Vulcan, maar ik zou me daar zelf wel een weg in zoeken. Gevoelens buiten sluiten was percies geen optie. Die waren té sterk. Ik kon er geen controle over krijgen. Over mijn spieren echter wel. Hoe kwam het dat anderen mijn gevoelens konden zien? Doordat het af te lezen stond op mijn lichaam. Die en die spieren daar trokken zich samen met als gevolg: “David heeft pijn,” “David is verdrietig,” of “David lacht.” Dààr kon ik iets aan veranderen. Voortaan zou ik op school aan niemand meer laten zien hoe ik mijzelf voelde. Laat ze maar komen met hun pestgedrag! Ik blijf als een standbeeld en doe mijn eigen ding. Ik val hen niet lastig, dus als zij mij lastig vallen dan moeten zij dat maar weten. Ik ben dan niet degene die in fout is. Jezus werd ook beschimpt en vernederd!

Ergens wist ik wel dat dit niet “normaal” is. Ik was de enige van gans de school die dit deed. Er moet dan toch iets mis zijn met mij, toch? In uiterlijke stilte observeerde ik de meute. Hoe doen zij het? Wat is “het”? Welke do’s en don’ts zijn er. Redelijk snel zag ik verschillende patronen ontstaan in hun gedrag. Bepaalde lichaamshoudingen, gelaatsuitdrukkingen, bewegingen, intonaties die telkens terug kwamen als er bepaalde situaties zich voordeden. Na een tijdje kon ik zelfs al een flink vuistgevecht tien minuten op voorhand voorspellen. Ik heb nog met de vraag in mijn hoofd gespeeld: zal ik het de toezichthouder zeggen dat er over vijf minuten ginds rechts naast de goal een handgemeen zou plaatsgrijpen? Aan de sympathiekste toezichthouders zei ik dat soms wel eens, aan de anderen niet. Respect moet van twee kanten komen.

Het liefst zat ik nog gewoon in de klas als de les bezig was. Dan was er controle, orde en kalmte. Eén stem om naar te luisteren. Heerlijk. Daar probeerde ik mij dan zo goed mogelijk op te focussen om mijn omgeving te vergeten. Ik deed alles kalmpjes mee en had altijd al mijn schoolgerief bij én meer voor in geval er iets uitzonderlijks moest gebeuren. Mijn klasgenoten hadden dat natuurlijk al snel door. Ik werd ongewild de economaat van de klas. Zelf hoefden ze niets mee te brengen omdat ze het wel zouden nemen van David. Met als gevolg dat ik zonder mijn gerief zat als ik het nodig had. Ik kon er niet tegenin gaan. Zij waren sterker én ze hadden volgelingen. Meer dan mijzelf nederig opstellen kon ik niet. The needs of the many outweigh the needs of the few. Ik was maar alleen én dus minder waard dan hen. Zij hadden vrienden. Ik leerde toen dat als ik ooit evenwaardig zou willen zijn als hén, ik aan vrienden moest zien te komen. Het was geen kwestie van willen, maar een kwestie van overleven. Zoals het nu is, mocht niet het patroon van de rest van mijn leven worden. Momenteel kon ik er weinig aan veranderen. Ik moest het aanvaarden. Maar ik zou deze tijd gebruiken om innerlijk te groeien, om te begrijpen waarom zij dit wél kunnen en ik niet.

Dertig jaren later ben ik hier nog altijd mee bezig. Ik heb al vele theorieën en therapieën achter de rug. Ik voel mij nog steeds de eenling die aan de deur van de toezichthouder naar de speelplaats staat te kijken. Hoewel ik méér tijd, geld en energie heb gestoken dan de gemiddelde Vlaming om een gemiddelde Vlaming te kunnen zijn ben ik toch nog altijd anders dan de rest. De zijkanten van de statistieken der modale mens zijn mijn domein. En toegegeven… Ik ben niet meer dat menneke dat van het sociale toeten of blazen weet. Veel van wat ik toen geobserveerd heb, heb ik nadien in de praktijk gebracht en bijgeschaafd waar nodig. Ik heb mijzelf daarin onderwezen en met vallen en opstaan ben ik een method actor geworden die mag wedijveren met James Dean voor de Oscar van beste acteerprestatie. Van zodra ik besef dat iemand zich van mijn aanwezigheid bewust is, verandert de realiteit in een toneelstuk dat gespeeld moet worden om te overleven. Niets is écht behalve de waarheid erachter. En ik merk, nu ik in de tweede helft van mijn leven ben gekomen, dat er gaten van slijtage beginnen te komen in het doek van mijn toneel. Het leven achter de coulissen is niet meer zo eenvoudig geheim te houden als vroeger. Dat boezemt mij niet tevreden want begrip is nooit een garantie geweest. Daarom wil ik nu reeds, preventief, de zaken die vroeg of laat ongewild de spotlights op zich gaan krijgen nu reeds bedekken met een blinkend laagje verklarende as. Met as kan ik hopelijk deze keer op een veilige manier uit mijn kast komen. Drieënveertig jaar is een mooie leeftijd om daarmee te beginnen.