Lekker lapje fietsen

Gisteren heb ik eens meegereden aan de duizend kilometer wielrennen ten voordele van de actie Kom Op Tegen Kanker. Men kan het mij verwijten met de woorden: “Wat heeft die gast tegen kanker zeg!” Maar dan geef ik graag en grif toe dat het één van mijn vooroordelen is die ik niet graag opgeef. Ik hou niet van kanker, punt andere lijn. Alles wat ik erover hoor lijkt mij niet leuk te zijn. En een gedoe! Jeetje… Ik ben iemand die op een zondagmiddag graag met een boekje in de zetel wegzinkt in de buurt van een tasje koffie met honing en melk. Dat mag cafeïnevrij zijn of niet. Daar ben ik nog niet uit. Ik zit in een fase waarop ik de twee eens naast elkaar wil vergelijken. Het leven blijft uiteindelijk één groot avontuur. Om maar te zeggen, ik heb wel wat beters te doen dan naar het ziekenhuis te gaan om alweer een behandeling te ondergaan of één of andere diagnose te laten bevestigen. Sommige mensen houden niet van haring, winkelen of okselhaar, welnu ik houd niet van kanker. Daarom dacht ik gisteren: laat ik eens een eindje meerijden. Dat leek me wél leuk. Elke gelegenheid die ik krijg om een bende bikequeens op de fouten van hunner wegen te wijzen neem ik graag en met beide handen aan. Want laat me duidelijk zijn, het enige dat ik op dat moment gemeen had met de massa was onze aversie voor kanker. Afijn, daar ga ik van uit. Misschien is het wat naïef om te denken dat er geen andere factoren een rol konden spelen bij die rakkers. Ik ben alleszins niet naïef genoeg om mij daarover nog te kunnen verbazen. Het vergt al een speciale soort mentaliteit om je als man op zo’n manier te kleden dat het misschien puur voor de lol kan zijn ook, dat ze meededen. Een soort mannen-onder-onsje waarbij men bobbels kan vergelijken zoals vrouwen onderling doen over schoenen. En is er een betere gelegenheid om dit te doen als bij een rondje fietsen ten voordele van Kom Op Tegen Kanker? Ik dacht het niet. Mij niet gelaten. Ik heb me al in vreemdere milieus bevonden.

Eigenlijk was het die ochtend niet mijn intentie geweest om mee te doen. Meer nog, ik wist niet dat er überhaupt iets te doen was. Zoals steeds ben ik de laatste die te horen krijgt dat er een evenement in de stad mijner hoofdtoilet te doen is. En zo hoort het ook. Anders maak ik mij daarover alleen maar zenuwachtig. Ik kreeg al iets in het schuitje toen ik naar de supermarkt reed om mijn boodschappen te doen. Dat is een activiteit die ik graag zo vroeg mogelijk doe. Liefst nog vóór supermarkt open gaat, maar dat is mij nog niet gelukt. Op zo’n vroeg uur is het niet normaal om te moeten wachten op een stoet van gemotoriseerde politieagenten alvorens ik de straat kon oversteken. Moest ik het gewild hebben, ik zou nog nét voor hen tot aan de overkant geraakt zijn, maar ze zagen er zo knudde uit in hun dikke kostuumpjes bij zulk warm weder dat ik ze uit compassie maar heb laten voorgaan. Ik kan een lieve jongen zijn als ik dat wil. Ze maakten bovendien een hels lawaai met die brommers waarop ze reden zodat ik ook zoiets had van: Er ligt in deze straat misschien ergens een bijzonder mooie, schrandere en lieve vrouw te slapen met niets meer aan dan een fijn met bloemetjes versierd bordeauxrood kanten slipje, as they brom, zodat die mannen maar liever zo rap mogelijk met hun klikken en klakken passé zijn om haar niet wakker te maken. Je weet maar nooit. Die mannen trokken hun dat klaarblijkelijk niet aan, maar ik wil zoiets niet op mijn geweten hebben. Het was misschien wel mijn toekomstige teerbeminde die daar lag. Ze leek er alleszins wél op in mijn gedachten. Zachtjes zette ik mijn fietstocht verder. Op dat moment wist ik nog steeds niet wat er gaande was.

Na vriendelijk en ietwat (nog steeds) verlegen (op mijn leeftijd!) een prettig weekend gewenst te hebben aan de nieuwe kassabediende, een jobstudente volgens mij, rekkerde ik mijn stoere shopping-bag op het bagagerek van mijn fiets vast en vervolgde mijn tocht naar de zaterdagmarkt van de Grote Markt. Curieus keek ik naar de dranghekken langs de kant van de straat. Ik fiets daar wel vaker maar nog nooit hebben ze dat daar voor mij neergezet. Wat aardig van ze, dacht ik. Dat hadden ze nou niet moeten doen. Het beloofde een snikkend hete dag te worden dus er was geen tijd om een traantje van ontroering weg te pinken. (Hebben jullie hem door? “snikkend heet” en “een traantje wegpinken”… Briljant!) Ik moest zo snel mogelijk terug thuis zien te geraken vooraleer mijn zweet zou doorbreken tot ik een modderfiguur sla. Toen ik de Grote Markt naderde zag ik één schijnbaar georganiseerd chaos. Midden op de Grote Markt had men een hoopje bikequeens samengedreven. Wellicht voor de eigen veiligheid. Rondom hen zag ik tientallen gemotoriseerde politielui (zoals het hoort) en daar nog eens rond (gelijk de schillen van een ui?) zag ik publiek staan. Een vlugge blik liet mij meteen opmerken dat het uitgerekende DIE familieleden waren van de samengedreven groep waarvan er élke familie wel één van heeft. Geen wonder dat ik ze zag popelen om te vertrekken. Maar ze mochten nog niet. Een man met een pistool hield ze tegen. Ze doen maar dacht ik. Leven en laten leven. Gelukkig had dit evenement niet tot gevolg dat ik moest gaan zoeken naar mijn favoriete vleeskraam. Het stond daar waar het altijd stond: mooi in de schaduw van een historisch gebouw. Dat paste perfect bij mijn plannen, want ik ging het voedsel van mijn voorvaderen kopen: goeie dikke lappen vet spek. Of dikke lappen goed vet spek zo de lezer het zelf verkiest. Misschien heb ik hier even wat achtergrond te geven bij deze situatie. Momenteel ben ik aan het lezen in het boek “Eten op zijn Vlaams” van Louis Paul Boon, schrijver van één van mijn favoriete boeken “De Kappellekensbaan” maar ook auteur van enkele erotische werkjes. Welnu, wat hij doet met die erotische werkjes doet hij culinair met “Eten op zijn Vlaams”. Mijn lippen werden zowaar vochtig bij het lezen van dit literaire kookboek. Een documentaire op TV heeft mij onlangs een beetje schrik doen krijgen van alle bewerkte vleeswaren zoals (jawel) spek, sausissen, gerookt vlees, salami, charcuterie en weet ik niet wat voor vleessoorten er nog allemaal zijn op dit moment. Bedankt Louis om het allemaal in zijn perspectief te brengen en goed bewerkt vlees in waarde te herstellen. De oma van mijn vaders kant die van “den buiten” kwam zag ik terug voor mijn ogen haar bordje proper maken door er met haar duim in te strijken. Met mijn spek in een plastieken zakje, de handvaten van het zakje stevig rond mijn pols, ging ik terug naar mijn fiets. Zo gauw als mijn goed gereinigde zitvlak het zadel van mijn fiets raakte hoorde ik een knal op de achtergrond en zag ik iedereen zenuwachtig worden. Het zal toch niet waar zijn? Jawel, we spreken hier Geluk-à-la-David op een bedje van Murphy. Heel eventjes wou ik er mij niets van aan trekken en gewoon vertrekken zoals ik van zins was. Ik ken echter voldoende van de psychologie van groepen om te weten dat ik mij niet als een rebel wil gedragen in een massa van gelijkgezinden. Gedwee liet ik de massa bikequeens dan maar passeren. Zo maken ze ook weer eens wat mee, dacht ik bij mezelf. Toen ik de laatste duts naderbij zag komen plande ik het snode plan om er snel achteraan bij in te fietsen. Als dàt de boel niet kon opfrissen? Een mooier voorbeeld van échte historische oude Vlaamsche wielerkunst is niet denkbaar: in groep fietsen met een stevige loodzware fiets, een doordeweekse korte broek, echt beenhaar, een hemd met korte mouwen, echt borsthaar en een zakje goeie dikke lappen vet spek aan het stuur. Ernest Claes had het moeten zien! Op deze en geen andere manier is de wielersport uiteindelijk ontstaan hier in Vlaanderen. Zo zou het nog steeds moeten zijn. Met z’n allen zo rap mogelijk naar de eindstreep vooraleer het spek ranzig begint te worden van de temperatuur. In mijn geval blijft het spijtig dat daar geen vrouw staat te wachten met een braadpan op het vuur, maar okay… Alleen zijn heeft ook voordelen. Die braadpan dient bij mij alléén maar om te braden en bakken.

De supporters zagen metéén wat mijn bedoeling was. Allen knikte ze goeddunkend mijn richting uit. Velen van hen zagen misschien voor het eerst een échte fietser meedoen met dit soort spelen. Ik glimlachte naar hen allen om te laten merken dat ik het niet erg vond, dat ik een man van de wereld was, dat ik het begreep. Na honderd meter sloeg de groep een zijstraat in. Ik wou rechtdoor fietsen. Ruim op tijd deed ik teken naar de politieagenten die de groep in die bocht in goede banen moest leiden. Ze zagen meteen dat ik gestudeerd had en lieten mij passeren. Thuis gekomen en op de bank gelegen was ik tevreden dat ik mijn plicht gedaan heb als goede burger. Ik heb niet alleen de maatschappij een spiegel voorgehouden over sommige rare denkwijzen die er zijn ingeslopen, maar ik heb ook mijn steentje bijgedragen in de strijd tegen die ziekte waar ik zo’n hekel aan heb.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s