Tokkografie

De lucht was van een Shakespeariaanse grauwheid die ochtend dat ik besloot mijzelf nog eens te wagen aan het braden van een kipje. Hoe lang was het ondertussen ook al weer geleden dat ik dat gedaan heb? Tien jaren? Minstens! Ik weet nog dat ik toen besloten heb om dat nooit, maar dan ook nooit meer te doen. Er bleek namelijk een immens verschil te zijn tussen een kipje braden in een professionele oven van een school of een restaurant en de huis-tuin-en-keuken oven die ik gekocht had toen ik alleen ging wonen. Qua temperatuur had ik geen klagen. Dat deed die prima. Het probleem zat hem in de kip zelf. Bij een temperatuur van pak-hem-beet een honderdtachtigtal graden ontstaan er aan de rand van de kip, zeg maar gerust het velletje, krachtige vulkanische uitbarstingen die bij elke plof een spat gloeiend gesmolten vet het luchtruim in stuurt met dezelfde snelheid als snot bij een plotseling oncontroleerbare niesbui op een moment dat je nét niet op tijd naar je zakdoek kunt grijpen omdat je potdorie op een gevaarlijk stukje weg aan het fietsen bent. Het woordje “lucht-ruim” is in dit geval misschien niet geschikt gekozen omdat de ruimte aan lucht in mijn doe-het-zelf oventje niet van die aard is dat het als ruim kan gelden. De kip, moest die nog in leven geweest zijn en nog steeds een kop, nek, pootjes, vleugels en veren tot zijn onroerend goed mocht beschouwen, zou daar bijvoorbeeld niet simpel in te douwen zijn. Allereerst moet je toch met een zekere weerstand rekening houden dat zo’n beestje zou hebben om in een dergelijke ruimte gestoken te worden. Het zal dan wellicht fladderen met zijn vleugels. En zelfs als je die vleugels zou weten vast te binden, dan nog zou het geen kaas in het bakkie zijn om hem met kop en al erin te steken. Let wel, dit beeld gebruik ik puur om de grootte van mijn oven te beschrijven. De kans dat je mij ooit met een levende kip in mijn handen in mijn keuken zou aantreffen is even groot als de kans dat je er ooit een koe zult tegenkomen. Ik ben een laffe, schaamtevolle vleeseter die telkens toch eventjes van zijn hart een steen moet maken als ik zo’n stukje dood wezen als maaltijd bewerk. Daarom ga ik ook met het grootste respect mee overweg. In mijn keuken zal je geen biefstukken tegen het behang zien plakken!

Terug naar dat vliegende spat gloeiend gesmolten vet… Gezien de grootte van mijn oven is het voor de lezer van dit stukje inmiddels al wel duidelijk dat er geen sprake van kan zijn dat het lang kan genieten van deze vrijheid in het ijle. Metéén nadat de vetspetter uit het vel van de kip gespoten wordt, komt het tegen één van de wanden van mijn oven terecht. Bij deze situatie maakt het in wezen niet uit of we het hebben over de bovenkant, de linkerkant, de achterkant, de rechterkant of wat mij betreft de deur van de oven, de spetter komt sowieso in contact met een stuk materie dat zo mogelijk NOG heter is dan het vel waaraan het is ontspoten. Het gevolg laat zich door iedere chemicus raden: dat spatje spet brandt zich muurvast tegen dit ultra-hete oppervlak. Daar is geen ontkomen aan. Nu is zo’n ovenwand of –deur eventueel met veel geduld en hard schrobwerk nog wel proper te krijgen, maar hoe kuis je in godsnaam het verwarmingselement van de oven? In de geestelijke wereld ben ik misschien niet de meest propere jongen van onze Lage Landen, maar in de fysische wereld gelden er wat mij betreft andere regels. Daar wil ik netheid graag als religieuze norm gepresenteerd zien. Ik wil geen vuile lendendoek rondom het kruis van Jezus aan het kruis gewikkeld zien. Ik wil dat het proper afgebeeld staat.

Dit alles maakt dat ik na deze eerste ervaring van het zelf-gebraden kipje mijn oven niet meer zo vaak gebruikte als daarvoor.  Telkens ik hem nadien nog eens opwarmde voor het één of het ander, rook ik telkens weer mijn eerste kip. Het gelukkig toeval wou nu dat die oven daarna niet lang meer heeft gewerkt. Ik heb met niet geheel wazige ogen waardig van hem afscheid genomen op het containerpark alwaar ik ook de herinnering aan mijn eerste kip er meteen bijlegde. In mijn nieuwe oven zou nooit meer een kip komen! Dat besluit heb ik toen genomen.

Maar we worden allemaal wel wat ouder. En bij het ouder worden, worden de gedachten ook wat milder. De herinnering aan mijn eerste kip was ondertussen tot een gekoesterd avontuur verzoet dat gelijk de film Sound Of Music elk jaar tenminste één keer in mijn geheugen gespeeld werd. Ik vond het spijtig dat ik nooit meer het genoegen van een zelfgebraden kipje zou mogen smaken. Houd deze sfeer in gedachte terwijl dit levensavontuur nog een staartje krijgt! Op een dag zag ik namelijk in één van de honderden rekken van mijn supermarkt ineens een plat doosje staan waarop stond: “braadzakken”. Braadzakken? Wat moest ik me daar bij voorstellen? Ik pakte één van deze doosjes en met een gretigheid waarmee een jongen van dertien zijn eerste Playboy leest las ik de instructies. Het waren blijkbaar plastieken zakken waarmee je vlees kon braden in de oven. Op de foto van de verpakking zag je effectief een heerlijk gebraden kip in zo’n zak. In mijn hoofd maakte ik volgende associatie: “plastiek – hitte – smelten” en “kip – gesloten zak – vochtige lucht – vies wak velletje” dat nooit zo bruin kon worden als op die verpakking stond! Ik trok mijn neusvleugels hierbij op en legde het pakje terug in zijn rek. De weken die volgde kon ik evenwel niet meer naast dit pakje kijken telkens ik mijn boodschappen deed. In mijn hoofd nam het dezelfde fascinatie in als dat éne fotoboek van Marilyn Monroe in de bibliotheek van mijn kindertijd. Er lagen letterlijk duizend boeken maar telkens als ik daar was moest ik dit boek toch één keer in mijn handen gehad hebben. Ik wachtte tot niemand in de buurt was en nam het vervolgens snel vast om gauw tot pagina 34 te bladeren alwaar haar iconische naaktfoto te zien was. Inmiddels was ik natuurlijk al te oud geworden voor zulke kinderlijke fascinatie van welk vlees dan ook, dus uiteindelijk besloot ik dan toch maar om deze braadzakken te kopen. Het pakje heeft een half jaar in één van de schuiven van mijn keuken gelegen. Af en toe herlas ik de woorden van de handleiding nog eens alsof ik mijzelf ertoe mentaal op wou voorbereiden. Tot ik die bewuste ochtend opstond met een zekere frivoolheid in mijn hoofd en het toch eens wou wagen. Ik ging een biologisch kipje halen. Op de ingrediëntenlijst las ik dat deze kip gemaakt werd met prima granen. Het mocht zijn eigen natuurlijke tempo nemen om te groeien met voldoende ruimte in de gezonde lucht. Een kipje naar mijn tand dus. Toen ik hem op mijn aanrecht zag liggen begon ik echter koude voeten te krijgen. Deze kip is misschien té goed voor dit experiment. Zou ik het mijzelf wel kunnen vergeven als ik deze goed doorleefde verse kip zou maken tot een wak zielig excuus van een braadkip? Gebraden in een plastiek zak godbetert! De Heer hebbe mijn ziel! Komaan David! Verstand op nul en doen alsof we weten waar we mee bezig zijn! Alles stak wel een beetje tegen. De kip woog bijvoorbeeld één kilo zevenhonderd vierentachtig kilo terwijl ik maar instructies had voor één kilo. Ook mijn kippenkruiden… In gedachten in de winkel had ik nog een vol potje in mijn kast staan. Bij nader inzien bleek het niet meer dan een bodempje te zijn. Helemaal niet genoeg voor deze kalkoen! Ik zat nog maar in de helft en het potje was al op. Wat nu gedaan? Ik las de ingrediëntenlijst van het potje kippenkruiden en wat bleek? Kippenkruid wordt grotendeels van curry gemaakt. Daar had ik nog genoeg van! De andere helft moest dan maar met currypoeder besmeerd worden. Met een hart dat ik tot in mijn keel voelde bonken van de spanning stak ik de kip in de zak en de zak op een schaal en deze schaal in de oven. Vervolgens nam ik mijn rozenkrans en ratelde hem volledig erdoor terwijl ik mijn ogen op mijn kip gevestigd hield. Ik vertrouwde het voor geen cent! De plastiek vervormde een beetje. Lap, daar ga je het hebben. Die gaat beginnen smelten! Er was geen weg meer terug. Ik besloot te wachten… Meer dan dat beetje bewoog de plastiek niet meer. Na een twintigtal minuten hoorde ik mijn eerste plof. Zoals beschreven op de verpakking bleef het resultaat van deze ejaculatie mooi in de zak. Hoe zalig is dat! Ik was gerustgesteld en ging verder werken aan mijn theorie dat een man met een breinaald even productief kan zijn als een vrouw met een schroevendraaier.

Verhoudingsgewijze bekeken moest mijn kip langer in de oven staan omdat het uit de kluiten gewassen was. Na één uur en veertig minuten waagde ik het erop om hem eruit te halen. Het was erop of erronder. Ik had al de instrumenten klaargelegd die mijn zaalopleiding van vroeger voorgeschreven had om een braadkip te versnijden: een houten plank, een lepel, een vork en een groot demi-chef mes. Héél voorzichtig sneed ik de zak open. Ik had er nog steeds geen goed oog op. Maar wat bleek? Het onmogelijke! In de zak had ik een mooi bruin gebraden kipje met een velletje zo perfect krokant als ik het nog nooit eerder gekregen heb van een kip-aan’t-spit kraam op de markt. Ik heb er geen verklaring voor. Het druist in tegen elke wet van McGuyver, maar het is gelijk het was. Twee dagen heb ik kunnen eten van dé beste gebraden kip die ik gegeten heb sinds mijn moeder nog met liefde kookte in het ouderlijke huis.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s