Verwarring

Haaa, de liefde. Wat is er mooier dan een kunstenaar die het probeert te visualiseren, verbaliseren of in klanken om te zetten? Daar bestaan mooie staaltjes van voorbeelden van. Ik heb altijd gedacht dat liefde uitsluitend een menselijke uitvinding was. Een vrouwvriendelijke manier om uit te leggen dat ik jou nodig heb voor het één of het geen, dat ik gewend ben geraakt aan jou of dat jij voor mij een functionele rol vervult die ik zelf niet kan of wil invullen. In feite is het ook niet meer dan dat, maar je kunt daarmee niet afkomen bij een potentiële of actuele partner. Ik hoor de burgemeester al zeggen: “Bolle Bientje, neem jij deze vrouw tot jouw wettige echtgenote, om de vuilniszakken buiten te zetten, noodzakelijke klusjes uit te voeren des huizes, haar de moederrol te laten vervullen zodat ze zich een volwaardige vrouw voelt, haar af en toe zult kalmeren met attenties en een spiegeleitje op bed met een glaasje jus d’orange en haar zult beschermen tegen grijpgrage mannen die deze prachtige vrouw, dewelke zo meteen officieel de jouwe zal zijn, willen verorberen tot de dood jullie scheidt?”
“Jazeker en vast!” hoor ik Bolle al zeggen.
“En jij, Mally Stoempie, neem jij deze man tot jouw wettige echtgenoot, teneinde hem van goed eten en propere kleren te voorzien, zijn eigendom netjes te houden, hem een nageslacht te geven met de nodige verve zodat hij trots en zelfverzekerd in de maatschappij kan staan, hem zijn zorgen ontnemen door attentvol en pro-actief zijn kleine hebbelijkheden te vergeven en hem een warm onthaal te geven waar deze loebas steeds op kan terugvallen als hij van het harde leven buiten terugkomt?”
“Reken maar van jawel!” zal Mally zeggen.
Daarom stond ik deze week ook perplex toen ik van Moedertje Natuur haarzelve, de énige échte, een beeld kreeg waarmee ze mij leek te zeggen: “David, je bent verbitterd geraakt. Je geloof is weg. Je bent cynisch geworden en hard. Liefde is méér dan afhankelijkheid. Liefde is…” En ze liet mij een beeld zien van twee fietsen die naast elkaar, achteraan een grote fietsenstalling, stonden. Een stevige plant was volledig doorheen de spaken, het frame en de tandwielen, rondom de pedalen, het stuur, het zadel en de bagagedrager gegroeid. Die plant had deze twee fietsen zo in elkaar laten verstrengelen dat het behoorlijk wat moeite zou kosten om ze weer uit elkaar te krijgen. En daar, tussen die verwarring van blad en ijzer bloeiden bloemen. Moeder Natuur had mij geen duidelijkere boodschap kunnen geven als zou ze mij een natte gazet in het gezicht had laten vliegen waarop een artikel stond over het zesenveertig jarige bestaan van de film Love Story met Ryan O’Neal en de über-schoonheid Ali MacGraw. Wat was ik als kind van zes verliefd op die meid. En kwaad op Ryan! Het heeft me zeker nog jaren gekost waarin ik films zag waarin de beide andere rollen speelde vooraleer ik besefte dat het allemaal maar fake was. Mijn eerste liefdesverdriet… Of kan ik die éne meid meerekenen van de kleuterschool waar toen iederéén verliefd op was. Nee, dat was pure lust vrees ik te moeten toegeven. Op één of andere manier wou toen élke jongen onder haar rok kijken. Ik was haar dan ook altijd snel vergeten eens de grote vakantie aanbrak.

Sinds Ali zijn al veel liefdes de revue gepasseerd. Als ik uitreken hoeveel dagen er in een jaar zijn én hoe oud ik ondertussen geworden ben, mag ik gerust spreken over duizenden. Wie houdt het nog bij allemaal. Toegegeven… de éne liefde was al wat groter dan de ander. Degene die ik op straat gewoon voorbij wandel of toevallig achterna loop, dat zijn de kortste natuurlijk. Maar daarom niet minder heftig. Liefde heeft niets met tijd te maken. Houd ik meer van jou omdat ik méér tijd met je doorbreng dan met mijn knuffelolifantje? Ik dacht het niet! Liefde heeft ook niets met intensiteit te maken volgens mij. Je hebt het, of je hebt het niet. Het is gelijk die plant die die twee fietsen met elkaar verbond. Die plant is er nu eenmaal en hoe langer het duurt, hoe steviger en méér allesomvattend het wordt. Ik hoop dat het een wintervaste plant is. Of dat de onderhoudsploeg er geen korte metten mee maakt. Of erger nog, dat één van de eigenaars terugkomt en één van de fietsen meeneemt.

Goed en wel beschouwd: kan je deze plant als onkruid beschouwen? Een plant die zoveel emotie oproept. Daar stond ik, eerst nog met een mond vol tanden en spuug, later met een hoofd vol verwarring, twijfel en gedachtenkronkels. Dit is de liefde. Daar wil ik naartoe. Zo wil ik houden van. Twee eenheden die letterlijk én figuurlijk op een “natuurlijke” wijze met elkaar verbonden worden. Ergens gewoon stilstaan met twee. Niet bewegen, niets zeggen… Gewoon zijn. De plant der liefde rondom je lichaam voelen groeien. Zachtjes, elke dag een beetje groter. Meer dan wat kietelen voel je niet terwijl je verbonden wordt met de ander. Je blijft gewoon staan. Het is niet beangstigend. Je kijkt uit naar wat er nog kan komen. Je voelt je veilig. Soms heb je zon, soms heb je regen. Je wordt nat, je wordt weer droog. Het is okay. De plant groeit daardoor sterker en steviger. In die groeiende cocon heb je geen sekseverschillen meer zoals koken, zagen, strijken, spijkeren, afwassen, hameren,… Geen zij, geen hij, er is maar één sekse: alleen wij.

Nuja, wij… ’t Is te zeggen… De virtuele vriendin die mij ooit betrapt op het naar haar verwijzen in termen als “die van ons” mag mij gerust met véél dramatiek ter plaatse verlaten. Ik zal hetzelfde doen. Er zijn grenzen aan het wij-gevoel. Ik zal altijd een individu blijven en ik verwacht van haar hetzelfde. “Wij” bestaat alleen binnen de cocon. Daarbuiten is het “hij” of “zij” of nog beter “mijn waauw”, “mijn godsallemachtig”, “mijn jeetjemina” of eventueel “die van Grawl”. Moesten wij ooit virtuele kinderen krijgen, tsja, dan zou je kunnen zeggen dat die van ons zijn. Maar zo ver zijn we van bijlange nog niet. Voorlopig maar eerst proberen om mijn schroom te overwinnen bij diegene waarbij ik het zou willen overwinnen. Terwijl hopen dat ze ondertussen niet haar biezen pakt vooraleer er ook één klein scheutje tussen haar tenen naar boven dreigt te schieten. De kunst is wellicht om voldoende afleiding te voorzien zodat ze het niet merkt. Ramses Shaffy bezong het indertijd al: “Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, want dan wordt je lekker nat.” Hij wist wel waar de mosterd vandaan kwam.

En toch… Vluchtig, nat, hard, stevig, bindend, vloeibaar, kneedbaar,… Liefde heb je in verschillende consistenties. De moleculaire structuur ervan is voor mij niet te vatten. Iets dat niet te vatten is, vind ik moeilijk om te geloven. Ik aanvaard dat het bestaat, maar ik geloof er niet in. Geef mij iets tastbaars en ik zal beginnen twijfelen. De plant die rond die fietsen gegroeid was, is een klimopachtige die zich vastklampt aan alles wat op zijn weg komt. Het zal je eigen fiets maar wezen. Ik moet er niet aan denken. Die tentakels van die plant bijten doorheen beton, laat staan wat het met het ijzer van die fiets gaat doen. Liefde zit in het hoofd. Ik heb die plant gebruikt als metafoor voor wat ik het meeste mis: het geloof dat het bestaat. De Ali uit mijn jeugd is weg gegaan.

In mijn hoofd slingert het van hier naar daar. Ik wil vasthouden aan het één terwijl het ander meer houvast biedt. Al maakte ik er een beeld van, dan nog zou het niet tastbaar zijn. Door er woorden aan te geven maak ik het niet bespreekbaar. Mijn stem verleent zich niet tot de juiste klanken, maar als ik nou eens Google naar een leuk muziekprogramma…

Advertenties

Het naakte aapje

Er is een merkwaardige trend gaande in de wereld van de bi-rondellen. Ik wil het al een tijdje merken. Het is net alsof het aandachtspunt van wat belangrijk is verschoven is. Ik keur het niet goed, ik keur het niet af. Ik kan het alleen maar aanschouwen en aanvaarden dat het is gelijk het is. In de wereld van de quadri-rondellen zijn bij mijn weten al lang geen bijzondere nieuwe vernieuwingen meer uitgevoerd. Okay, we hebben de elektrische wagens, wagens op gas en wie weet later nog op zonne-energie. Hoogstens kun je de volautomatische wagen als een nieuwe trend gaan beschouwen, maar ik geloof niet dat zulks nog voor de eerste twee decennia zal zijn. Momenteel lijkt de business-industrie zich vooral bezig te houden met de klassieker van de bi-rondel: de fiets. Ik schrijf dit woord “fiets” met een zekere emotionele beladenheid. Ik mag dat want ik ben een automobilist. Daarmee bedoel ik dat ik op eigen kracht beweeg, zonder hulpmiddelen van brandstof, elektriciteit, gas, steenkool of kernenergie. De enige hulpmiddelen waar ik eventueel soms een beroep op doe zijn koffie, uien met bonen, wind mee, een bergaf, het idee dat een lekkere meid mij in de rug aan het gadeslaan is of een héél stuk verder voor mij zelf aan het fietsen is. Waarom ik daarnet schreef dat ik een emotionele beladenheid voel bij het woordje fiets is omdat steeds ouderwetser klinkt. De activiteit van het fietsen zelf lijkt steeds meer beïnvloed te worden door de standaarden van de quadri-rondel gebruikers. Snelheid, dat is hét woord van de eeuw. Alles moet sneller. De snelheid van wagens is de vorige eeuw zodanig opgedreven dat we genoodzaakt zijn een maximum snelheid op onze wegen te voorzien. Hetzelfde zie ik vroeg of laat ook nog met fietspaden gebeuren. Onze fietsen worden steeds sneller. Niet allemaal natuurlijk. De stadfiets rijdt nu niet significant sneller dan dertig jaren geleden. Het zijn door de band genomen oerdegelijke fietsen waar niets tegen in te brengen valt. De meest revolutionaire evolutie die momenteel aan de gang is bij de stadsfiets is de introductie van de bagagekarretjes of de terugkeer van de bakfietsen. Moedertje Natuur kijkt daar glimlachend naartoe terwijl ze denkt: “Ziedaar… Goede naakte aapjes!”

Nee, het feit dat ook de bi-rondellen tegenwoordig sneller en sneller gaan is vooral te merken in de toenemende aanwezigheid van elektrische- en wielrenfietsen. Op zich prima uitvindingen, die de concurrentie zeker mogen aangaan met de rollator, elektrische rolwagens en brommers voor mensen die door omstandigheden extra hulp nodig hebben bij het zich verplaatsen. Een klasse apart zijn natuurlijk de motors. Op de fiets na is een motor het enige andere vervoermiddel waarvan je met zekerheid kunt zeggen: dit een transportmiddel met als enige doel om zonder boe of baa van A naar B te geraken. Allé, ’t is te zeggen: ze geven iets méér boe en baa dan een stadsfiets maar op de schaal van Darwin zullen zij rechts te zien zijn, terwijl de klassieke fietser eerder links staat. Ze rijden op de echte baan, niet op fietspaden. Hetzelfde kan ook voor wielrenfietsen gezegd worden, maar niet zonder een strafbaar feit van de bestuurder in het achterhoofd te houden.

Ik ga ervan uit dat iedereen die met een elektrische- of wielrenfiets rijdt daar wel een respectabele goede reden voor heeft. Een reden waar ze zelf niets aan kunnen doen. Aambeien bijvoorbeeld. Een perfecte reden om jezelf als de wiedeweerga van de éne naar de andere plaats te willen verplaatsen. Hoe sneller hoe liever denk ik dan. Ik zou ook niet graag lang op een zadel zitten met aambeien. Daarom heb ik alle respect voor mensen die wegens medische redenen, zij het aambeien, incontinentie of gewoonweg een psychische aandoening via de huisarts of de specialist een wielrenfiets voorgeschreven krijgen met aangepaste nauwsluitende kledij voorzien van éxtra vocht opslorpend zeemvel aan kruis en zitvlak. Geen probleem. Als vredelievende humanist die niemand iets kwalijk toewenst heb ik wel eens medelijden met hen als ik ze zie fietsen. Aan het gezicht alleen al zie je dat die mensen aan het afzien zijn. Je ziet aan de stand van hun mond dat elke trap pijn doet. Hun ogen zijn meestal verborgen achter een donkere bril omdat ze wellicht nét uit het ziekenhuis ontslagen zijn en nog even moeten wennen aan het échte daglicht. Chapeau & Respect!. Ik heb er anders soms wel wat moeite mee dat ze de rudimentaire verkeersregels van het fietspad en de straat aan hun wielerschoenen lappen, maar ergens begrijp ik dat wel. Ze zijn nog wat verward door de medicatie. Ze doorstaan helse pijnen en het enige waar ze op dat moment aan denken is: “Hoe geraak ik zo rap mogelijk thuis!” Iemand met een zwangere vrouw op de achterbank die een opening van 8 cm nabij is zal ook al eens een rood lichtje negeren als de kans veilig is, of vloeken en tieren tegen een groepje schoolkinderen die hem de weg verspert. De individuele wielrenfietser heeft daarbij nog een éxtra handicap. Hij moet zichzelf, kwetsbaar als hij in zijn of haar dooie ukkie is, een weg banen doorheen de jungle van het wegennetwerk. In groep hebben ze het een stuk gemakkelijker. Dat spreekt voor zich. Vaak worden ze dan nog begeleid door een arts in een wagen vooraan en één achteraan de groep, die de gehele trip volgt om op die manier veilig een weg te banen. Heb je het als groep wat beter op het financiële vlak dan kan het zichzelf een éxtra wagen permitteren die met een luidspreker bovenop de andere weggebruikers waarschuwt dat er een zelfhulpgroepje staat aan te komen. Dat verhoogt het veiligheidsniveau terdege. Maar ja, zoals altijd: niet alleen luxe moet je kunnen betalen, ook veiligheid.

Patiënten die voor de elektrische fiets gekozen hebben, halen tegenwoordig dezelfde snelheden als een gemiddelde snelfietsfietser maar zitten minder onderdanig naar de hun omringende wereld te kijken. Ze kunnen een fierdere of rechtere houding aannemen door de aard van hun fiets. Het is dus méér geschikt voor mensen die onder behandeling zijn van depressies of rugklachten. Of dit een goede therapie is voor deze klachten, daar heb ik mijn twijfels over. In mijn ogen creëer je op die manier mensen met een zekere hoogheidswaanzin. Wie kent de scène niet uit de film Mary Poppins waarin de vrolijke bende op zwevende draaimolenpaardjes in een échte paardenwedstrijd terecht komt. Terwijl de ruiters alle moeite doen om snelheid te halen op hun echte paarden, halen Mary en haar kornuiten hen met het grootste gemak en de minste moeite in. Je ziet ze doodleuk in kaarsrechte houding op hun namaakpaarden die ze nét van de draaimolen gehaald hebben. Een ludiek beeld uiteraard, maar het beschrijft perfect hoe een échte fietser zich voelt als een doorgrijst iemand hem met rechte rug en ontspannen trappersdraaien voorbijsteekt met wind tegen. Het is niet alleen gênant voor de “natuurlijke” fietser, het lijkt me tevens niet erg snugger van een dokter om voor iemand die moeite heeft met de werkelijkheid zulk een realiteitsbedrog voor te schrijven.

Swat, moest ik ook geen moeite hebben met de realiteit, het zou me nooit opgevallen zijn. Een mooi geval van “de pot verwijt de ketel dat de keuken zwart ziet,” lijkt me. Ik ben de eerste om toe te geven dat ik ze zelf allemaal niet geheel op een rij heb. Vroeg of laat zal ik maar al te blij zijn dat deze transportmiddelen bestaan. Ik ben een kind van mijn omgeving. We zijn niet voor niets de grootste pillenslikkende natie ter wereld. Vandaar wellicht onze liefde voor de wielersport. Ik respecteer andere meningen tot het niveau dat er geen schade of ongemak optreedt. Moest ik kinderen hebben en één van hen zou op een welgekozen moment, na lang aarzelen, wikken en wegen, tegen mij zeggen: “Vader? Ik moet je iets bekennen.” “Is het écht? Oei, dat klinkt serieus. Wacht, daar ga ik voor zitten. Vertel op, Joske of Josefientje!” Afhankelijk of het een zoon of een dochter is. In mijn fantasie heb ik weliswaar een voorkeur, maar in realiteit heb je het niet altijd voor het zeggen. “Pa, het zit namelijk zo… Ik geloof dat ik in hart en nieren een wielertoerist ben.” Ik zou misschien toch wel eventjes moeten slikken. Je weet dat het altijd mogelijk is, maar je verwacht het niet. In een flits zie je zijn of haar volledige jeugd terug voor ogen en opeens besef je dat je altijd blind geweest bent voor de signalen die allemaal deze richting uitwezen. En dan zal ik hem of haar een knuffel geven en zeggen: “Mijn kind… Ik heb het al die jaren al kunnen weten maar ik was er blind voor. Het spijt me verschrikkelijk. Ik vind het zo moedig en prachtig van jou om mij dit nu te zeggen. Van mij krijg je alle steun! Ik zal de beste pakjes en het mooiste fietsje voor je kopen die binnen mijn budget liggen. Ik ben fier dat je mij hiermee in vertrouwen neemt. Maar ik zou je nog wel één ding willen vragen als ik mag.” “Natuurlijk Pa, alles! Ik ben blij dat het eruit is en dat je er zo op reageert.” “Dat spreekt toch vanzelf. We zijn de jaren vijftig niet meer. Wat ik je wil vragen is dit: rij altijd veilig, wil je? Waar je ook rijdt, rij veilig. Ook als je in groep rijdt en de anderen doen het niet, ga dan niet met de meute mee maar rij altijd veilig. Dat is voor mij het belangrijkste. Voor de rest doe je maar wat je wilt.”