Groenaardig

“Een schop tegen je grond, dàt kun je krijgen!” En zo waar als ik mijzelf ben, dat kreeg ik dan ook. Het is een experiment over de gehele lijn. Niet alleen voor mij. Ook voor de organisator ervan is het een nieuwe ervaring. Hij vroeg zich waarschijnlijk op een schone ochtend ooit eens af of hij een bende benzinesnuivers, asfaltbijters en plastiekzakken niet zou kunnen omvormen tot brave bloemensnuivende,  grondvretende juttezakken. Zoiets hoeft men mij geen twee keren te vragen. Integendeel, ik heb het mijzelf wel tientallen keren moet bevragen: “David jongen, is dat wel iets voor jou? De aarde is schoon spul maar er mag best een laagje cement overheen. Wat ga jij doen op een naakt stukje grond?” Ik herinnerde mij natuurlijk de beelden van vroeger. Beelden waarop ik als kind gierend, springend en dansend tussen de gewentes van mijn vader liep, die mij dan vloekend, tierend en briesend aanmaande om er als de sodemieter vanaf te komen. Het had wel iets, zo dicht bij de oorsprong vertoeven. Als men dan op school tijdens de les vroeg waar de worteltjes vandaan kwamen, dan wist ik als één van de weinigen daar meteen op te antwoorden: “Uit konijnen meester, want die eten ze op en wij eten dan weer die konijnen op.”

“En wat dan met de zon?” Nog zo een vraag waar ik mij zorgen om maakte. De zon vind ik persoonlijk een fijne bol maar mijn tere huidje heeft het er zo niet mee. Die begint spontaan te blozen als ie ermee in contact komt. En mijn ogen vinden die al helemààl kolére. Als die in mijn ogen schijnt dan knijpen die spontaan dicht zoals een chinees die Clint Eastwood nadoet tijdens een duelscène van een Westernfilm. Maar ach…  België kennende zal dat allemaal wel meevallen.

Nee, hoe méér ik erover nadacht, hoe meer ik de balans voelde overhellen naar de kant van “Gewoon doen, gast!” Het begon met een viertal theorielessen. Daarin leerde we onder andere waar de grond begon en de lucht eindigde. Twee lessen heb ik kunnen mee volgen. De derde en vierde les heb ik moeten passen. In de wereld van volwassenen is het nu eenmaal zo dat er soms andere dringendere prioriteiten op je pad komen dan naar de les gaan. Ik vond het wel spijtig. Zo miste ik een goed stuk van de theorie over wat biologisch tuinieren nu eigenlijk inhoudt. Ik heb mijn vader indertijd vaak in zijn tuin bezig gezien maar dat waren nog tijden waarop het gif niet werd gemeden. Integendeel. Hét motto voor de betere tuinierder toen was: “Van een beetje gif hier en daar, daar worden je groenten schoner naar.” Hoe dat op een biologische manier opgelost werd, ik heb er nu dus nog altijd het raden naar. De praktijklessen zijn ondertussen al wel begonnen en ik vang hier en daar nog wel iets op alvorens mijn verstand totaal blokkeert door de overkill aan ditjes en datjes, weetjes en vergeet-me-nietjes die er tijdens zo’n lesavond op me afkomen. Om nu te zeggen dat mijn hersenen al werkbare banen getrokken hebben in al deze informatie, dat nou ook weer niet. Het blijft wat met de natte vinger peuteren in de schoot van moeder aarde.

Ook voor wat de kledij betreft is het een leerproces. De eerste keer dat ik langs mijn gewente liep (en beeld je hierbij een stuk grond in dat verdeeld is over twintig gewentes van twintig meter lang en één meter breedte; goed voor zo’n twintig “naturisten”) zakten de duurste schoenen die ik ooit gekocht had, duurder dan mijn smartphone, doorheen een laag slijk die dat percies niet leuk vond dat ik zijn natuurlijke vorm betrapte en mij terugbetaalde met een smurrie die qua uitzicht niet veel hoefde onder te doen dan voor de smurrie die men wel eens in pampers van een éénjarige koter terugvindt. Ze waren ocharme nog geen half jaar oud. “Volgende keer doe ik mijn botten aan!” Geloof het of niet, maar als stadsmens heb ik wel degelijk katsjoe laarzen. Ik had die gekocht met in het achterhoofd: “Als er ooit eens een overstroming komt in mijn stad, dan heb ik tenminste toch al deze botjes.” Geen mos op mijn rug dacht er ooit aan dat ik die vroeg of laat in de praktijk zou gaan gebruiken om doorheen slijk, nat gras en vochtig “jeir” te wandelen.

Volgens mijn geheugen was dit de eerste keer dat ik ooit een zaadje in volle grond gestoken heb. Bij mijn vader hielp ik altijd mee in de oogstfase, niet in de beginfase. Zoiets voelt raar aan. Als moderne boer ad interim heb ik mijn zaad via het internet besteld. Onze ouwe had het moeten weten. Zaad kopen via het internet… In zijn tijd was de gele briefkaart het hypermodernste communicatiemiddel beschikbaar. Een kaart waar je geen postzegel op moest plakken. Woehaa! Afijn, daar stond ik dan uiteindelijk met een zakje zaad in mijn handen naar m’n veld te turen. Ik zag de afbeelding van de groente op het pakje en het water kwam me al in de mond. Vervolgens keek ik naar de grond en een vaag gevoel van “Dit kan toch nooit!” overviel mij. Beteuterd keek ik om mij heen. Ik zweer het, moest ik daar helemaal alleen in mijn dooi ukkie gestaan hebben, ik zou een rechtsomkeer gemaakt hebben en de boel voor wat het was gelaten hebben. Maar ik zag iedereen druk bezig met hun eigen stukje grond en telkens als ik deel uitmaak van een groep ben ik meer geneigd mijn verstand op nul te zetten om te gaan voor die banaan. Het eerste zaad was een feit.

Twintig meter is een héél eind. Surtout als je met zaadjes van hooguit één millimeter te maken hebt. Bijkomende overdonderende verplichtingen hebben mij de eerste weken belet om op regelmatige basis mijn stukje grond te bevruchten. Je zult het altijd zien… Mijn leven is één groot georganiseerd geheel waardoor iets nieuws vaak een ingrijpende verandering met zich meebrengt. Die paar keren dat ik vanuit mezelf besluit om iets nieuws daar in te brengen, dan loopt er gegarandeerd op een ander vlak iets mis waardoor ik geen tijd meer krijg om aan het eigen initiatief te werken. Maar ook dat andere is ondertussen gestabiliseerd. Daardoor kreeg ik van de week de tijd en de energie om mijn veld volledig af te werken. In één vloeiende beweging heb ik gedurende vier en een half uren tijd mijn volledige stukje grond af gekregen. Toen ik aan de laatste meter bezig was, zag ik een eindje verder een boertje lopen. Ik wist nog van vroeger dat het op het platteland etiquette was om een boer in zijn eigen habitat te groeten als er één voorbij loopt. Dat deed ik dan ook. Ik was echter vergeten dat ik niet meer het kind was dat naast zijn vader stond. Mijn Pa deed altijd de hele prietpraat terwijl ik rustig nietszeggend kon meeluisteren. Nu was ik de andere boer waartegen er over koetjes en kalfjes gesproken moest worden. En inderdaad, hij kwam naar me toe. Daar stonden we dan als twee boeren naar een stuk grond te staren. Ik was als kind een observator en bijgevolg wist ik precies die houding aan te nemen die boeren aannemen als ze in zo’n situatie waren. Hij stak een sigaret op. Shit! Daar had ik niet aan gedacht. Mijn vader rookte, ik niet. Ach wat… Ik kon er geen doekjes om winden. Hij rook al van verre dat ik stadgespuis was. (Een combinatie van douchegel en Invictus van Paco Rabanne) Ik hield me dus bij mijn rang en stand en deed niet alsof ik wist waarmee ik bezig was. Een kassierster kan ook nooit op hetzelfde niveau praten als de dame van de charcuterie. Voor die kerel was dit natuurlijk ZIJN moment van glorie. Hij kon uitpakken met termen waarvan ik nog nooit gehoord had. “Lichtzaad” bijvoorbeeld. Hij keek naar mijn gewente en schudde daarbij het hoofd.  Hij keek naar mijn kleding. “Die botten dat is nu toch niet nodig.” Hij keek naar mijn werkmateriaal en vroeg of ik geen (…) had. Ik weet allang niet meer wat hij bedoelde. Tegen die tijd zat ik in gedachten al nostalgisch terug te denken aan de rekken van de groenteafdeling van de supermarkt. Blijkbaar was hij familie van de oude man van wie het stuk grond eigenlijk behoorde. Deze man woonde nog steeds vlak naast het domein. Afijn, hij ging die bezoeken, dus kortelings stond ik terug in mijn eigen vel een beetje ontmoedigd de laatste hand te leggen aan het stukje grond dat ik voor één jaar mag gebruiken. Nog geen tien minuten later zie ik hem met een oude man terugkomen. Aha, hier gaan we de wijze raad van een andere generatie meemaken, dacht ik. Ik begroette hem vriendelijk. “Wat is me dat hier allemaal zeg! Dit trekt toch op niets! Moest ik mijn geweer nog hebben, ik zou ze allemaal kapot schieten hier!” De oudjes van nu zijn niet meer die van vroeger. Ik trok mij terug in mijn gedachten terwijl ik mijn schup afkuiste. Nu, terug achter mijn vertrouwde computertafel, is het spannend afwachten op de volgende weken. Zal er geen spinazie groeien op plekken waar ik bonen gezet heb? Zal er überhaupt iets uitkomen? Ik heb alleszins nog geen uitnodigingen verstuurd voor een diner met groenten van eigen kweek. En in geval van kan ik nog altijd een netelsoepje maken van eigen onkruid. Ik lees trouwens nét op het internet dat paardenbloemen ook eetbaar zijn. Dat is dan mooi meegenomen als alternatief.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s