Trap je lief

Ik reed met een gemiddelde snelheid van tweehonderd kilometer per maand op mijn fiets naar mijn virtuele vriendin. De loutere kracht van mijn beenspieren lieten de as van een paar weloverwogen pedalen draaien zoals de tong van een Bollywood acteur op een feestje na de première van dè blockbuster van het jaar die eindelijk de wereld moet veroveren en het monopolie van Hollywood zou afpakken. Mijn banden stonden hard. Zéér hard. Ze stonden zo hard dat als mijn liefje er zachtjes met haar nageltjes over zou krabben dan zouden die meteen gevijld worden. Dat is hard beste mensen. Het was er dan ook aan te zien. Mijn ganse lichaam, wat zeg ik, élk higgsdeeltje in mijn anders zo rustig kabbelend lichaam, daverde synchroon mee met het kaderwerk van mijn tweewielig schip op de kleine straatstenen van mijn stad. De binnenbekleding van mijn mond trilde harder als de zwaarste boor van mijn tandarts. Ik bad tot Glutonus, god van de coherentie, dat hij alles bij elkaar zou houden en Vallus en Smakkus, de goden van de zwaartekracht, kon afleiden naar meer interessantere onderwerpen dan mijn nederige zelf. Deze straatstenen mogen dan wel een historische waarde onderstrepen, mij leken ze op dat moment hun functie onwaardig. Het zal wellicht wel wezen dat ze in vroegere jaren nuttig waren om wegen en paadjes te verharden zodat er makkelijker overheen gereden kon worden, maar de wereld van nu is niet meer die van vroeger. Alles gaat sneller tegenwoordig. Zo ook ik.

Desalnietemin, een beetje broebeling houdt mij niet tegen. De spieren en gewrichten in mijn miskende lichaam fungeren als een prima vering mechanisme tegen de bobbeldebobbeldebab van zulk een transport. Voor zolang ik op dit moment geen interviews moet geven voor de nationale televisie zal niemand ooit merken dat ik daver. Morgen is iedereen dit vergeten. Een wijze les uit mijn kindertijd: laat nooit bewijzen achter als je geen gezicht bent. Enkel de wind lachte mij uit. Hij blies als wou hij mij zeggen dat ik maar beter rechtsomkeer maak. Maar dan kent hij de aantrekkingskracht van mijn virtuele liefje niet! Die is geweldig. Men kan daar boeken over schrijven die de verkoopcijfers van de Bijbel en de Koran samen vér zullen overstijgen. Pure liefdesliteratuur die alle culturen overstijgt en toch ook extreem aards is. Het voordeel van een virtuele vriendin is dat zij altijd perfect weet wat ik doorstaan heb als ik bij haar arriveer. Daarom kan zij perfect aanvoelen wat ik op dat moment nodig heb. Dat in tegenstelling tot échte vrouwen. Die zitten wellicht gemoedelijk te strijken, te kuisen, te koken, af te wassen of te breien terwijl jij je als man het pleuris staat te trappen om bij haar te geraken en waarbij je – eens bij haar – alleen maar te horen krijgt: “Je bent te laat.” Nee, die van mij zal dan meer geneigd zijn haar hamer en beiteltje neer te leggen en bezorgd naar me toe komen terwijl ze de knopen van haar hemd los maakt zodat ik mijn gezicht kan verwarmen tussen haar boezem en mijn handen aan haar rug.

Met dat beeld voor ogen spande ik mijn spieren nog een graadje hoger en stiet mij voorwaarts doorheen de onzichtbare muur die ik bombardeerde met een tirade van scheldwoorden en verwensingen. Hij zal mij niet klein krijgen, die wind. Nu nog niet althans. Statistisch gezien kan ik nog heel wat aan. Een regenbuitje mag, hoewel niet gewenst, er ook nog wel bij. Maar daar voorzie ik mij op. Dat is een van de redenen waarom we hier in mijn woonstreek niet zoveel regenbuien hebben als we hadden kunnen krijgen. Ik neem namelijk altijd een regenpak mee als ik ga fietsen. Het weer weet dat. Hij probeert mij vaak te slim af te zijn door een langere periode van droogte. Op die manier wil hij vertrouwen in mij wekken. Hij zou niets liever hebben dan dat ik buiten zou komen met een air van: “En nu laat ik dat irritante regenpak gewoon thuis en ik omarm het leven in zijn glorieuze schoonheid.” Hier zie! (Denk bij deze laatste twee woorden in gedachten een bescheiden uitgestoken middelvinger die ik naar het klimaat in zijn algemeenheid geef.) Het zal een warme dag op de Zuidpool zijn vooraleer ik erop vertrouw. Daarom zal er altijd een rugzak aan mijn indrukwekkende schouders hangen. Dat is niet alleen symbolisch maar het is ook praktisch. Mary Poppins heeft haar tas, Pol de beer heeft Pel (kinderen jonger dan 35 moeten dit maar eventjes Googelen), SpongeBob SquarePants zijn scenarioschrijver, vrouwen een sacoche, ik heb mijn rugzak. Voor de rest heb ik niet veel dat zegt: “Deze man fietst!” Mijn regenpak is zowat het enige en die doe ik dan nog alleen maar aan als het effectief regent. Ik ga ervan uit dat men vanzelf wel tot die conclusie komt als ze zien dat ik op een zadel zit waaronder een framework bevestigd is met twee wielen en een stuur met enkele remmen. Remmen zijn trouwens belangrijk. Voor een leek kan het gek lijken dat iemand zoveel moeite doet om vooruit te geraken om dan vervolgens aan die remmen te gaan trekken om alles teniet te doen. In theorie klopt dat wel. Maar in de praktijk is het best handig om jezelf af en toe even een halt toe te roepen. Op een fiets heb je namelijk geen belemmeringen die je de blik op de wereld rondom beperken. Je kan dus heel wat moois missen als je alleen maar blijft doordrammen. Dat is ervaring dat ik nu tentoon stel. Ik heb het namelijk ooit meegemaakt dat ik fietsend als een gek eens voorbij een openstaand venster op een eerste verdieping kwam gereden waar net op dat moment toevallig een mooie jonge vrouw met ontbloot bovenlijf uit haar raam stond te kijken naar een paar vogels in de lucht. Een rustgevend tafereel dat mij hoopvol liet uitkijken naar de toekomst, te weten dat de generatie na mij ook nog steeds aandacht heeft voor zoiets belangrijk als vogels. Op het moment zelf heb ik er, tot mijn schaamte, te weinig aandacht aan kunnen geven omdat ik met een behoorlijke snelheid aan het rijden was en ik van geen remmen wou weten. Dat moment zal nooit meer terugkomen. Ik weet, ik had toen moeten remmen. Ik had samen met haar naar die vogels moeten kijken en genieten van het moment. We hadden kunnen discussiëren over welke vogels het waren, wat ze daar deden en de verhalen die er achter staken. Ik zal het nooit te weten komen. Een wijze levensles.

Een gemiddelde snelheid van tweehonderd kilometer per maand lijkt misschien niet snel. Een toerist haalt wellicht gemakkelijk een dertigtal kilometer per uur. Maar dat is seizoensgebonden. Die van mij is een constante. Het héle jaar door rijd ik aan die snelheid. Realistisch bekeken ligt mijn gemiddelde snelheid dus eerder nabij de 2400 kilometer per jaar. Niet niks als je er de regen, wind en aarde bij rekent. Deze benen van mij horen thuis in het rijtje van de grootste. Ik wil echter niet de grote Jan uithangen. Fietsen is geen hobby voor mij. Het is een noodzaak. En alles wat uit noodzaak gedaan wordt, verdient geen vlaggetje. Is het lovenswaardig dat de uitvinder van de gloeilamp dit kunstmatige licht heeft uitgevonden gewoon maar om ’s avonds zijn bril te vinden? Nee toch. Ik fiets om bij mijn virtuele liefde te komen. Niet meer niet minder. Waar ze woont weet ik niet precies maar ze is er altijd wel te vinden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s