Tokkografie

De lucht was van een Shakespeariaanse grauwheid die ochtend dat ik besloot mijzelf nog eens te wagen aan het braden van een kipje. Hoe lang was het ondertussen ook al weer geleden dat ik dat gedaan heb? Tien jaren? Minstens! Ik weet nog dat ik toen besloten heb om dat nooit, maar dan ook nooit meer te doen. Er bleek namelijk een immens verschil te zijn tussen een kipje braden in een professionele oven van een school of een restaurant en de huis-tuin-en-keuken oven die ik gekocht had toen ik alleen ging wonen. Qua temperatuur had ik geen klagen. Dat deed die prima. Het probleem zat hem in de kip zelf. Bij een temperatuur van pak-hem-beet een honderdtachtigtal graden ontstaan er aan de rand van de kip, zeg maar gerust het velletje, krachtige vulkanische uitbarstingen die bij elke plof een spat gloeiend gesmolten vet het luchtruim in stuurt met dezelfde snelheid als snot bij een plotseling oncontroleerbare niesbui op een moment dat je nét niet op tijd naar je zakdoek kunt grijpen omdat je potdorie op een gevaarlijk stukje weg aan het fietsen bent. Het woordje “lucht-ruim” is in dit geval misschien niet geschikt gekozen omdat de ruimte aan lucht in mijn doe-het-zelf oventje niet van die aard is dat het als ruim kan gelden. De kip, moest die nog in leven geweest zijn en nog steeds een kop, nek, pootjes, vleugels en veren tot zijn onroerend goed mocht beschouwen, zou daar bijvoorbeeld niet simpel in te douwen zijn. Allereerst moet je toch met een zekere weerstand rekening houden dat zo’n beestje zou hebben om in een dergelijke ruimte gestoken te worden. Het zal dan wellicht fladderen met zijn vleugels. En zelfs als je die vleugels zou weten vast te binden, dan nog zou het geen kaas in het bakkie zijn om hem met kop en al erin te steken. Let wel, dit beeld gebruik ik puur om de grootte van mijn oven te beschrijven. De kans dat je mij ooit met een levende kip in mijn handen in mijn keuken zou aantreffen is even groot als de kans dat je er ooit een koe zult tegenkomen. Ik ben een laffe, schaamtevolle vleeseter die telkens toch eventjes van zijn hart een steen moet maken als ik zo’n stukje dood wezen als maaltijd bewerk. Daarom ga ik ook met het grootste respect mee overweg. In mijn keuken zal je geen biefstukken tegen het behang zien plakken!

Terug naar dat vliegende spat gloeiend gesmolten vet… Gezien de grootte van mijn oven is het voor de lezer van dit stukje inmiddels al wel duidelijk dat er geen sprake van kan zijn dat het lang kan genieten van deze vrijheid in het ijle. Metéén nadat de vetspetter uit het vel van de kip gespoten wordt, komt het tegen één van de wanden van mijn oven terecht. Bij deze situatie maakt het in wezen niet uit of we het hebben over de bovenkant, de linkerkant, de achterkant, de rechterkant of wat mij betreft de deur van de oven, de spetter komt sowieso in contact met een stuk materie dat zo mogelijk NOG heter is dan het vel waaraan het is ontspoten. Het gevolg laat zich door iedere chemicus raden: dat spatje spet brandt zich muurvast tegen dit ultra-hete oppervlak. Daar is geen ontkomen aan. Nu is zo’n ovenwand of –deur eventueel met veel geduld en hard schrobwerk nog wel proper te krijgen, maar hoe kuis je in godsnaam het verwarmingselement van de oven? In de geestelijke wereld ben ik misschien niet de meest propere jongen van onze Lage Landen, maar in de fysische wereld gelden er wat mij betreft andere regels. Daar wil ik netheid graag als religieuze norm gepresenteerd zien. Ik wil geen vuile lendendoek rondom het kruis van Jezus aan het kruis gewikkeld zien. Ik wil dat het proper afgebeeld staat.

Dit alles maakt dat ik na deze eerste ervaring van het zelf-gebraden kipje mijn oven niet meer zo vaak gebruikte als daarvoor.  Telkens ik hem nadien nog eens opwarmde voor het één of het ander, rook ik telkens weer mijn eerste kip. Het gelukkig toeval wou nu dat die oven daarna niet lang meer heeft gewerkt. Ik heb met niet geheel wazige ogen waardig van hem afscheid genomen op het containerpark alwaar ik ook de herinnering aan mijn eerste kip er meteen bijlegde. In mijn nieuwe oven zou nooit meer een kip komen! Dat besluit heb ik toen genomen.

Maar we worden allemaal wel wat ouder. En bij het ouder worden, worden de gedachten ook wat milder. De herinnering aan mijn eerste kip was ondertussen tot een gekoesterd avontuur verzoet dat gelijk de film Sound Of Music elk jaar tenminste één keer in mijn geheugen gespeeld werd. Ik vond het spijtig dat ik nooit meer het genoegen van een zelfgebraden kipje zou mogen smaken. Houd deze sfeer in gedachte terwijl dit levensavontuur nog een staartje krijgt! Op een dag zag ik namelijk in één van de honderden rekken van mijn supermarkt ineens een plat doosje staan waarop stond: “braadzakken”. Braadzakken? Wat moest ik me daar bij voorstellen? Ik pakte één van deze doosjes en met een gretigheid waarmee een jongen van dertien zijn eerste Playboy leest las ik de instructies. Het waren blijkbaar plastieken zakken waarmee je vlees kon braden in de oven. Op de foto van de verpakking zag je effectief een heerlijk gebraden kip in zo’n zak. In mijn hoofd maakte ik volgende associatie: “plastiek – hitte – smelten” en “kip – gesloten zak – vochtige lucht – vies wak velletje” dat nooit zo bruin kon worden als op die verpakking stond! Ik trok mijn neusvleugels hierbij op en legde het pakje terug in zijn rek. De weken die volgde kon ik evenwel niet meer naast dit pakje kijken telkens ik mijn boodschappen deed. In mijn hoofd nam het dezelfde fascinatie in als dat éne fotoboek van Marilyn Monroe in de bibliotheek van mijn kindertijd. Er lagen letterlijk duizend boeken maar telkens als ik daar was moest ik dit boek toch één keer in mijn handen gehad hebben. Ik wachtte tot niemand in de buurt was en nam het vervolgens snel vast om gauw tot pagina 34 te bladeren alwaar haar iconische naaktfoto te zien was. Inmiddels was ik natuurlijk al te oud geworden voor zulke kinderlijke fascinatie van welk vlees dan ook, dus uiteindelijk besloot ik dan toch maar om deze braadzakken te kopen. Het pakje heeft een half jaar in één van de schuiven van mijn keuken gelegen. Af en toe herlas ik de woorden van de handleiding nog eens alsof ik mijzelf ertoe mentaal op wou voorbereiden. Tot ik die bewuste ochtend opstond met een zekere frivoolheid in mijn hoofd en het toch eens wou wagen. Ik ging een biologisch kipje halen. Op de ingrediëntenlijst las ik dat deze kip gemaakt werd met prima granen. Het mocht zijn eigen natuurlijke tempo nemen om te groeien met voldoende ruimte in de gezonde lucht. Een kipje naar mijn tand dus. Toen ik hem op mijn aanrecht zag liggen begon ik echter koude voeten te krijgen. Deze kip is misschien té goed voor dit experiment. Zou ik het mijzelf wel kunnen vergeven als ik deze goed doorleefde verse kip zou maken tot een wak zielig excuus van een braadkip? Gebraden in een plastiek zak godbetert! De Heer hebbe mijn ziel! Komaan David! Verstand op nul en doen alsof we weten waar we mee bezig zijn! Alles stak wel een beetje tegen. De kip woog bijvoorbeeld één kilo zevenhonderd vierentachtig kilo terwijl ik maar instructies had voor één kilo. Ook mijn kippenkruiden… In gedachten in de winkel had ik nog een vol potje in mijn kast staan. Bij nader inzien bleek het niet meer dan een bodempje te zijn. Helemaal niet genoeg voor deze kalkoen! Ik zat nog maar in de helft en het potje was al op. Wat nu gedaan? Ik las de ingrediëntenlijst van het potje kippenkruiden en wat bleek? Kippenkruid wordt grotendeels van curry gemaakt. Daar had ik nog genoeg van! De andere helft moest dan maar met currypoeder besmeerd worden. Met een hart dat ik tot in mijn keel voelde bonken van de spanning stak ik de kip in de zak en de zak op een schaal en deze schaal in de oven. Vervolgens nam ik mijn rozenkrans en ratelde hem volledig erdoor terwijl ik mijn ogen op mijn kip gevestigd hield. Ik vertrouwde het voor geen cent! De plastiek vervormde een beetje. Lap, daar ga je het hebben. Die gaat beginnen smelten! Er was geen weg meer terug. Ik besloot te wachten… Meer dan dat beetje bewoog de plastiek niet meer. Na een twintigtal minuten hoorde ik mijn eerste plof. Zoals beschreven op de verpakking bleef het resultaat van deze ejaculatie mooi in de zak. Hoe zalig is dat! Ik was gerustgesteld en ging verder werken aan mijn theorie dat een man met een breinaald even productief kan zijn als een vrouw met een schroevendraaier.

Verhoudingsgewijze bekeken moest mijn kip langer in de oven staan omdat het uit de kluiten gewassen was. Na één uur en veertig minuten waagde ik het erop om hem eruit te halen. Het was erop of erronder. Ik had al de instrumenten klaargelegd die mijn zaalopleiding van vroeger voorgeschreven had om een braadkip te versnijden: een houten plank, een lepel, een vork en een groot demi-chef mes. Héél voorzichtig sneed ik de zak open. Ik had er nog steeds geen goed oog op. Maar wat bleek? Het onmogelijke! In de zak had ik een mooi bruin gebraden kipje met een velletje zo perfect krokant als ik het nog nooit eerder gekregen heb van een kip-aan’t-spit kraam op de markt. Ik heb er geen verklaring voor. Het druist in tegen elke wet van McGuyver, maar het is gelijk het was. Twee dagen heb ik kunnen eten van dé beste gebraden kip die ik gegeten heb sinds mijn moeder nog met liefde kookte in het ouderlijke huis.

Treffend over liefde

Als ik het over liefde wil hebben, dan moet ik er Excel bijhalen. Wat houd ik van dit programma. Het is intelligent, logisch, praktisch, eenvoudig en gecompliceerd tegelijk… Ik herinner mij nog de eerste keer dat ik het opstartte. Dat moet ergens op het einde van de twintigste eeuw geweest zijn. Een groot raster, meer was het niet. Een groot raster met bovenaan wat opties die je bij een andere Officetoepassing ook had. Wat voor zin heeft dat? Ik was Word gewend. Of nee… Beter nog, ik was WordPerfect gewend. Voor degene die WP niets zegt, het is een voorloper (en in vele opties een veredelde versie) van een programma “waar je een brief mee kunt typen”. Word ben ik maar pas beginnen te gebruiken zo gauw het WP-programma nergens nog op wou draaien. Microsoft, de guitige snoodaards, hebben dit programma nooit echt willen hebben. Héél eventjes heeft het onder Windows gedraaid, maar nadien werd het moeilijker en moeilijker om het op nieuwere versies van Bill’s Vensters te gebruiken. Spijtig… Het was mijn eerste liefde op het softwarevlak.

Na WordPerfect heb ik een tijdje liefdeloos wat rondgezeild. Ik ging van het éne programma naar het andere zoals een bij dat met bloemen doet.  Meestal deed ik het veilig. Ik had altijd wel een anti-virusprogramma bij de hand die ik dan over mijn hard-disk kon trekken in geval van twijfel. Het gebeurde wel eens dat ik zo enthousiast over iets geraakte dat ik dacht: “Fok het! Ik doe het gewoon zonder.” Of soms vergat ik het glad. Dat is mij ook al gebeurd.  Ik zeg het, ik ben geen voorbeeld voor de jeugd. Mijn teksten zijn voor achttien plusser die al wat meegemaakt hebben in het leven. Ervaring is de beste saus voor een goed stuk vlees. En ervaring was ook wat mij steeds weer in confrontatie bracht met Excel. Er werd zo vaak naar verwezen. Okay, ik wist wel dat je ermee kon rekenen maar wat dan nog? Daar had ik toch die rekenmachine voor die standaard op elke PC staat? Een tabel maken? Voor zover ik een tabel nodig heb, zal ik die wel in Word maken. Dat is een kleine moeite en veel overzichtelijker. In Word heb je tenminste een leeg blad voor je snufferd. En alles wat je erop zet heb je zelf in de hand. In Excel is alles voorgekauwd. Ik haat voorgekauwd! Ik wil mijn scherm zelf vullen; geen vooropgesteld raster voor mijn ogen tenzij ik het zelf maak. Nu gij!

Zo was ik dus. Excel was voor mij niet meer dan een gehersenspoeld mokkel dat mij wel eens haar regels zou opleggen van hoe de wereld in elkaar zat vooraleer ik ermee kon spelen. En zo bijzonder knap vond ik haar op de koop toe dan ook weer niet, dus waar haalde zij het lef vandaan! Word daarentegen… Word is de blonde del van het Officepakket. Iedereen kan daarmee spelen. Zet boer Charel achter een computer met dat programma actief en hij komt wel aan zijn trekken. Mensen, ik geef het toe. Ik kan niet anders. Ooit was ik ook zo. Microsoft had mij de Marilyn Monroe van de tekstverwerkers WordPerfect afgenomen en vervangen voor een flauwe wannabi. Terwijl Marilyn naast haar imago ook veel diepgang in zich had, concentreerde dit afkooksel zich enkel en alleen op het imago en het gebruiksgemak ervan. De diepgang werd weggewuifd met het idee dat het mensen alleen maar zou afleiden. Toegegeven… Ze hebben gelijk gehad. En ook ik heb ermee leren spelen. Ik ben er aan gewend geraakt. Het gebeurt nog maar héél zelden dat ik nostalgisch eens aan mijn eerste liefde terugdenk. De kracht der instant bevrediging is sterker dan duurzaamheid.

De eerste keer dat Excel zich voor mij op een andere manier openbaarde, ik weet het nog goed, alsof het een uurtje geleden gebeurde, was toen ik op het werk geconfronteerd werd met een simpel tekstbestandje. TXT voor de nerds. In dat bestand zaten de adressen van letterlijk honderden en honderden instanties van het één of het ander. De vraag was: maak daar iets overzichtelijks van. Ik dacht: “Euh… Ben je mal?” maar ik zei: “Tuurlijk! Kaas in het bakkie.” Ik stuurde het bestand door naar de Helpdesk met de vraag of zij daar iets van konden maken. Eén dag later kreeg ik een Excel bestand terug met daarin alles netjes geordend in kolommetjes, met hoofdingetjes, voornamen en achternamen apart, straatnamen en huisnummers gescheiden, de zonenummers en telefoonnummers mooi in twee kolommen, daarbij onderscheid makend tussen GSM en vaste nummers,… Moest Angelina Jolie ineens naakt voor mij staan, ik zou eenzelfde gezicht getrokken hebben. Wat… Hoe… Maar… Echt? Hoe hebben ze dat klaargespeeld? Ik keek naar degene die mijn vraag behandeld had en ging er naartoe. Hij bazelde iets over formules waar ik geen reet van begreep, maar ik was gefascineerd geraakt. “Ik stuur je het bestand wel even door.” Toen ik terug achter mijn bureau in mijn ruime lederen zetel hing zag ik dat het bestand al in mijn mailbox zat. Daarop vond ik waar het allemaal om draaide: formuletjes… Ik zag hoe hij een kopie van de chaos in Excel had geplakt en daar stap voor stap formuletjes over had laten lopen waardoor op het einde alles mooi en netjes gepresenteerd kon worden. Een intellectuele hitsigheid maakte zich van mij meester. Meteen voelde ik in mij de drang om deze kennis tot mijn eigen te maken. Ik liet de vingers van mijn muishand even over mijn tong gaan om ze nat te maken alvorens de muis te beroeren. Met een lichte tinteling in het hoofd opende ik tergend langzaam en voorzichtig een nieuw bestand. Ik kopieerde zorgvuldig een deel van de ruwe gegevens in de eerste kolom terwijl een rilling zich van mijn staartbeen naar mijn oorlellen trok. Mijn mond was droog en mijn ogen gespannen. Ik typte de eerste formule over dat ik zag staan in het bestand dat ik gekregen had. Het werkte! Ik was verliefd! Er was geen weg terug meer. Hier heb ik al mijn gehele leven naar staan zoeken zonder dat ik het wist. Al die jaren van wezenloos zoeken… Ze waren nutteloos. De ware liefde had ik altijd al binnen handbereik zonder dat ik het besefte. Hoe kon ik toch zo blind zijn? Zie hier nu toch, de mooiste van alle programma’s. Typ (de juiste formule) en gij zult krijgen. Hoe perfect kan een huwelijk zijn? Vanaf dan heb ik Excel altijd met liefde opgestart. En ach, we hebben ook al wel eens ruzie. Zij verstaat mij niet altijd en soms moet ik zoeken naar wat zij nu juist wilt zeggen. Of dan zit ik te vloeken tegen haar omdat ik niet krijg wat ik hebben wil. Maar als ik dan eventjes afstand neem, dan besef ik dat ik het niet op de juiste manier gevraagd heb. Logisch toch?

Intussen zijn we al een paar jaren samen en onze relatie groeit nog steeds. Hoewel groeien misschien niet het juiste woord is. Verdiepen is beter. Het is net alsof we samen steeds dieper in elkaar komen. Alsof onze huid wortel geschoten heeft in de huid van de ander, omdat het daar de juiste voeding gevonden heeft. Ik zoek in haar de logica, de rechtvaardigheid, de ordelijkheid en de wijsheid. Zij zoekt in mij de onzekerheid, de humor de creativiteit en de knulligheid. Samen maken we prachtige bestanden die nog lang kunnen meegaan. En als we al eens in een dipje zitten waar we samen niet uit geraken, dan is niemand van ons beide te beroerd om hulp in te roepen. Een blik van buitenaf ziet vaak toch meer dan wanneer je er middenin zit. Misschien bevinden zich onder mijn lezers wel mensen die momenteel in een dergelijk dipje zitten met hun geliefde software en vragen ze zich wie onze therapeut is? Welnu, ik ga daar niet moeilijk over doen. Het is eigenlijk geen therapeut, het is een vriend: Google genaamd. Hij is volledig gratis, vierentwintig op vierentwintig, zeven op zeven beschikbaar. Hij is behoorlijk slim maar de enige vereiste die hij stelt is dat je de situatie nauwkeurig schetst. Je krijgt alleen de hulp die je nodig hebt als je de vraag correct weet te stellen. Gratis blijft gratis natuurlijk. Je moet érgens daarvoor inleveren. Hij gaat dus niet zoals een therapeut zitten puren in jouw zielenwezen totdat hij bij de essentie komt. Nee, je moet de essentie al voor ogen hebben vooraleer je bij hem terecht kunt. Hoedanook, door wat extra tijd te steken in de echt moeilijke vraagstukken kan je dit omzeilen. Als de ene vraag niet werkt, probeer je het met een andere vraag. Net zolang tot je vindt wat je zoekt. Zo wordt liefde onoverwinnelijk als je van tijd tot tijd naar antwoorden zoekt in de grote wijde wereld.

Oudejaarsconversatie

Er zijn van die momenten dat ik mijn uiterlijk niet mee heb. Ik maak mijzelf graag wijs dat het eerder sporadische gevallen zijn bij hoogst uitzonderlijke omstandigheden met mensen die niet al te veel kaas en spek met eieren gegeten hebben toen ze klein waren. Het merendeel van de tijd geeft gelukkig niemand éne zier hoe ik eruit zie. Héél af en toe speelt het dan weer in mijn voordeel; als ik bijvoorbeeld tussen intelligente mensen vertoef.  Maar dat is zelden, dat geef ik toe. Ik ben graag in de minderheid.

De laatste dag van 2016 probeerde ik rustig ademend door te komen. Het was een bewogen jaar, zoals ze dat wel eens zeggen. Bijvoorbeeld, moest een toekomstvoorspeller mij vijf jaren geleden gezegd hebben dat ik in 2016 een stukje grond ter beschikking zou hebben waarop twee bonen, een wortel en een halve spruit zou staan, dan zou ik mijn geld terug gevraagd hebben. Ik ben een avonturier, daar niet van, maar dat ik het ooit zo bont zou maken, nee dat zou mijn jonge onvolgroeide brein nooit aanvaard hebben. En toch is het gebeurd. In het jaar waarop enkelen van mijn goden (en van anderen) stierven bij bosjes zat ik met groene laarsjes een wortel aan te sporen om toch maar flink uit de kluiten te schieten. Veel is er niet aan, aan dat tuinieren. Je steekt een zaadje in de grond en voor de rest ben je maanden bezig om daar tegen te roepen dat het moet groeien “en wel in de juiste richting of ik zal je wat!” Af en toe wat vloeken mag daarbij. Die groeiplaatsen zijn niet voor niets altijd zo een beetje afgelegen.

Daarom wou ik dat bijzondere jaar een beetje rustig afsluiten. Alleen met mijn herinneringen in een omgeving die uitnodigt om jezelf ter aarde te brengen en daar je voetzolen stevig in te drukken. Ik was er dat jaar al zo vaak geweest. En steeds kwam ik dan voorbij weggetjes waar ik het fijne van wou weten. Waar gaan die naartoe? Ik houd van wegen en paden die op het eerste zicht nergens naartoe gaan. Waar iedereen zomaar voorbij rijdt. Die veel mensen geen blik waardig gunnen. Zo’n paadjes trekken mij aan.

Het was koud, mijn neus was vochtig. Kwispelend van ongeduld zag ik eindelijk mijn kans schoon om deze wegen, die glorieus waren in hun niet-glorieusheid, te verkennen. Maar eerst ging ik mijn stukje land slaapwel zeggen. Grond waar ooit een paar van je tranen op gevallen zijn blijft voor altijd dierbaar. Vervolgens sprong ik op mijn stalen ros en zette hem op eerste fitesse. Als je nieuwe wegen wilt verkennen die nog niet geasfalteerd zijn, blijf je best op een snelheid die ergens het midden houdt tussen een shoppende vrouw tijdens de opening van de solden en een kind dat naar zijn moeder toeloopt op het einde van zijn eerste dag kleuterklas. Ik kwam een bordje tegen waarop een man stond afgebeeld die met een hond aan de leiband aan het wandelen was. “Mooi,” dacht ik bij mijzelf, “zo hoort het ook. Dat is een grote troef voor dit pad.” Het laatste wat ik nodig had was één of andere hond die mij op deze laatste dag van het jaar achterna zou rennen omdat het mijn angst voor honden geroken had.

Ik was Zen en Mindfull tegelijkertijd. De frisse koelte van dat tijdstip van het jaar doordrong mijn huid. De van bladeren ontspeende geul waarop ik reed nodigde mij uit om niet achterom te kijken. Het laagje ijs van aangevroren mist op takken en gras vertelde mij dat moedertje natuur nog niet geheel wakker was. Haar wakker maken kwam niet bij me op. Laat haar maar slapen. Ze heeft het verdiend. Zachtjes gleed ik op mijn twee winterbanden doorheen haar landschap. Wat snuift de lucht toch lekker in de winter.

Toen ik het einde van het pad bereikt had kneep ik meteen flink op mijn remmen. In wat voor een sprookje was nu terecht gekomen! Voor mij uit lag een landschap waarin ik drie watervlaktes kon onderscheiden. De één al wat bizarder van vorm dan de ander. Daartussen lag een schoon frisgroen grasperk met hier en daar een stevige boom. Op de wateroppervlaktes zweefde nog een dun laagje winterse mistwolken. Dit was een foto waard. Ik greep naar mijn fotomaker maar eens ik één blik in de lens geworpen had, besefte ik dat dit niet te fotograferen viel. Ik kan geen foto van driehonderd zestig graden maken, inclusief sensorisch materiaal. In plaats van een foto besloot ik een herinnering te maken. Ik concentreerde mij en opende al mijn zintuigen. Zoals bij de allereerste fototoestellen liet ik het geheel van indrukken een tijdje op mijn “lens” vallen zodat een afdruk op de film van mijn geheugen kon gevormd worden. Vervolgens sloot ik mijn ogen en borg de herinnering op in de portfolio van mijn wezen.

Ik zag dat het mogelijk was om volledig langsheen alle watervlaktes te fietsen. Hoe geweldig is dat! Dit idee liet ik mij geen twee keren bedenken. Ik fietste rond elk meertje met het plezier dat zoiets kan meebrengen voor een jongen die in een stad woont. Bij het derde meer zag ik dat er een rode draad in het geheel zat want alles scheen zich naar een huisje wat verderop toe te werken. “Hoe zalig moet het daar wonen zijn!” En daar waar een huis staat, is asfalt nooit veraf, dus daar moest ik naartoe om terug tot bij de beschaving te komen. In de verte zag ik een man wandelen. Waarschijnlijk één van de bewoners die op deze laatste dag van het jaar nog even een frisse neus wou halen. Ik moest toch die kant uit dus ik zou hem wel vriendelijk een goed eindejaar toewensen. Naarmate ik dichter kwam, bemerkte ik echter dat hij niet zozeer aan het keuvelen was maar eerder in kordate tred zichzelf naar mijn richting bewoog. Assertief, dacht ik nog.

“HÈI! WA EDDE GA HIE TE ZUUKE GAST!”

Mijn maag kromp ineens. Mijn hart heeft drie seconden geen klop gedaan terwijl het in mijn hoofd gonsde van de gedachten. Ik begon ineens het plaatje te snappen. Terwijl ik zo vrolijk en vrij rondom die meertjes aan het fietsen was, kreeg die man mij in het snuitje. In zijn ogen was ik eigenlijk niet meer dan langharig werkschuw tuig op een fiets. Op dat moment wou ik dat ik een frisblonde vrouw was met satijnen benen, een prikkelend streepje vacht op de venusheuvel en lelletjes om van te snoepen. Maar nee, ik was een in’t zwart gekleed langharige man met bakkebaarden en een grote neus. Het type dat voor kinder- en soapseries getypecast wordt als schurk voor het kleine volk. Ik moest onmiddellijk en weldra deze man overtuigen van mijn onschuld, maar hoe? Hoe vecht je tegen een vooroordeel? Uit ervaring wist ik dat ontkenning niet helpt. De eerste woorden die ik uitsprak waren te negeren. Mijn stem sloeg over en ik moest naar adem happen. Zo moe word je niet van het fietsen op eerste fitesse, maar de schok die deze man bij mij teweeg bracht, deed mij hijgen en trillen op mijn benen. Ik vertelde dat ik niets zocht, dat ik alleen maar de omgeving wat aan het verkennen was. Nog steeds in zijn agressieve fase blafte hij mij toe dat ik op privé domein was. Hoe dat? Buiten dat bord met die man en dat hondje aan de leiband heb ik niets gezien. Hij zei dat wel meer mensen daar over kijken. Dit was een signaal voor mij om het gesprek open te trekken. Ik sprak hem van het stukje grond dat ik dit jaar mocht gebruiken en dat ik al een gans jaar wel eens wou weten hoe het landschap er verder zou uitzien. “Wat een prachtig landschap is dat hier.” Het maakte deel uit van een vis club, verklaarde hij. Best logisch. En toen wist ik wat moest zeggen om hem voorgoed voor mij te winnen: “Mijn vader had dit moeten weten. Ik ging vroeger vaak met hem gaan vissen. Hij zou dit geweldig gevonden hebben.” Inderdaad. Het verder gesprek ging verder over zijn vissen en zijn club. De voorbije maanden had het clubhuis een paar inbraken te verwerken gehad. “Wat valt daar nou te stelen?” Toen ik de vraag gesteld had, vreesde ik dat hij mij metéén weer verdacht zou vinden. Maar nee, hij ging voort over pakjes chips, flesjes drank en weet ik niet wat nog allemaal. Mijn verstand stond op de status gesloten met het automatische sociaal redding systeem op actief. Het gesprek werd uiteindelijk afgesloten met: “Kom gerust nog eens langs. Gij zijt hier altijd welkom.” Ik slikte het contrast wrang naar binnen. Daar bleef het zeker nog tot twee januari op mijn maag liggen.

Garbiëlle

Om maar meteen met de deur in mijn appartement te vallen wandelde ik een week of twee geleden volledig bewust van lijf en leden naar een uitje-om in mijn favoriete stadsplek. Halverwege onderweg ergens middenin moest ik een zebrapad oversteken. Een zebrapad van niets eigenlijk. Moest het niet zo’n cruciale plaats innemen in mijn Verhaal van Momenteel, ik zou er nooit over begonnen hebben. Er zijn zebrapaden waar ik verhalen over kan vertellen waarbij een doorgewinterde darkroombezoeker nog rode oortjes van zou krijgen, maar dit zebrapad dus niet. Deze was niet meer dan een paar grote witte strepen, getrokken door pensioenspaarder van de gemeente. Desalnietemin, ze had de potentie om mij veilig en wel naar de overkant van de straat brengen, dus wie ben ik om er minachtend over te spreken. In een vorig leven ben ik ooit eens geslaagd geweest voor het grote theoretische examen van het rijbewijs. Ik wist dus dat ik eventjes moest stoppen, naar links en dan naar rechts kijken, zien of er geen auto’s aankomen die geen aanstalten maken om te stoppen, en dan pas kon oversteken. Dat deed ik dan maar. Links niets te zien. Rechts geen noemenswaardige toekomstig gevaarlijk situaties te bemerken als juist misschien eventueel een meisje dat kwam aanfietsen. Ik zag echter dat ze mijn gedrag goed inschatte want ze begon al tekenen van geremdheid te vertonen. Vermits ik nu wist dat ik werd bekeken door een eigenlijk best ultralekkere meid op wielen probeerde ik de overkant van de straat te bereiken zonder over mijn eigen voeten te struikelen. Halverwege was ik al zo fier op mijzelf dat ik moed kreeg om haar nog eens een keertje eventjes aan te kijken, alsof ik daarmee wou zeggen: “Zie mij gaan zeg!” Ik had twee variabelen in gedachten: of ze zat ergens hautain naar boven of beneden te kijken tot ik weg was, of ze nam mij nauwlettend in de gaten zodat ze later in geuren en kleuren aan haar vriendinnen kon uitleggen wat ze nou niet allemaal heeft meegemaakt waarmee ze dan meteen de lol van het gesprek wist op te drijven. In plaats daarvan zag ik twee grote ogen die mij als in verbazing aankeken. “Hé, jij bent percies de Engel Gods!” zei ze.

Ik ben iemand die vaak op voorhand in gedachten al zeer veel mogelijke scenario’s van sociaal contact meemaakt teneinde voorbereid te zijn voor als zulks zich ooit in het écht zou voordoen, maar deze had ik nog niet. De Engel Gods? Godsalmachtig, wat nu? Improviseren dan maar… “Echt waar? Hoe bedoel je?” In deze vijf woorden was ik al bezig met een buitenlichamelijke ervaring waarbij ik mijzelf van op afstand zag klungelen. Ik had mijn bruine winterschoenen aan. (Alsof ik zwarte, groene of rode winterschoenen heb! Met andere woorden, ik heb maar één paar winterschoenen.) Ik droeg daarbij een zwarte stretchjeans, mijn lichtjes door de was vergrijsde zwarte winterjas (Idem dito qua kanttekening als bij mijn schoenen.) en een door de zon gebleekte (vroeger) donkerblauw petje van Bols. Eigenlijk hou ik niet van merknamen op mijn petje maar deze zit me ZO goed stevig, al zovele jaren lang, dat ik hem gewoon aandoe zonder er acht op te slaan dat ik helemaal geen jeneverdrinker ben. Een goedzittende pet is een goedzittende pet en daarmee basta. “Wel, gewoon, vanwege je haar dat zo speciaal is.” Mijn haar? Ach ja, daar had ik niet aan gedacht. Het spreekt vanzelf! Ik had me nog niet zo lang daarvoor gedoucht en achteraf ligt mijn haar er nu eenmaal altijd verrukkelijk bij. Niet alleen qua geur, maar ook qua uitzicht. Dat geef ik grif toe van mijzelf. In vele culturen zou mijn haar als “kapot” omschreven worden. Iets dat kapot is, is daarom niet lelijk. Het zijn maar woorden. Een ultramooi hemd met een knopje eraf wordt daar niet ineens lelijk van. Vuil en vettig zijn dat wel. Je kunt perfect “heel” haar hebben (wat is de term voor niet-kapot-haar?) dat aan je hoofd plakt van de vettigheid en ruikt naar oude kleedkamers van de turnzaal van een historische collegeschool. Mijn haar is kapot maar het ruikt naar lekker haar en voelt zo zacht aan als een heerlijk fleecedekentje dat je ’s winters over je heen trekt nadat je de playtoets hebt ingedrukt bij het begin van een Lord Of The Rings marathon. Zij vond het “speciaal”. Daarmee kan ze duidelijk in mijn team meespelen. Ik haal mijn klassieke haarmop boven die kan gelden in alle omstandigheden: “Ja, het is nogal fluffy hé,” terwijl ik lichtjes verwijfd met één hand wat haar laat opwaaien. “Je zou het kunnen verkopen.”

Bij deze opmerking had ik al wat vocht moeten voelen opkomen, maar ik was te druk bezig met zonder incidenten over te steken, te praten, mijn houding in acht te nemen en daar bovenop haar aandacht proberen bij te houden. Oversteken blijft natuurlijk niet duren. Het moment was dus al snel daar dat ik aan de overkant stond en zij weer verder haar weg ging, recht uit mijn leven. Ze moest vertrekken van een niemendalletje van een bergopje en gaf daarbij de indruk alsof ze halverwege de Mont Ventoux moest vertrekken naar boven. “Ik geraak bijna niet meer vooruit,” zei ze glimlachend. Pas toen ik haar zo naast mij zag vertrekken viel het mij op dat ze van die dikke winterwanten met wollen binnenkant aan had. Op haar hoofd droeg ze een muts die je zo uit een koffer van een skivakantie zou zien komen. Ik dacht: die meid heeft het koud? Het was wel wat frisjes maar nu niet om te zeggen: alle hens aan dek! Een vroege herfstdag waarin je de eerste koudprikjes voelt opkomen. Maar de zon scheen heerlijk en gaf best nog wel wat warmte op mijn zwarte kledij. Zij daarentegen droeg buiten die wanten en die wintermuts een soortgelijk broekje als degene die Ann-Margret droeg in de eerste shot die we van haar te zien krijgen in de film “Viva Las Vegas”. Voor mensen die zich daar geen beeld bij kunnen vormen: een zeer korte witte broek/short. Dus wat hebben we als totaalbeeld: dikke wanten, dikke muts en een ultrakort broekie. De tegenstrijd in dat beeld bracht mij zo in de war dat ik gewoon vergeten kijken was wat ze voor de rest nog aanhad. Ze was wel mooi en haar benen mochten zéér zeker gezien worden, maar de combinatie vond ik zo apart.

Zij vertrok. Wellicht met dezelfde gedachte in haar hoofd als ik in de mijne: “Ik heb mijzelf oeverloos belachelijk gemaakt!” Toen ik wou roepen “Hé, wacht eens even! Mag ik je knuffel geven?” was ze al uit mijn zicht verdwenen. Ik weet het… Ik trek vaak types van mensen aan die nood hebben aan begeleiding. Sommigen van hen zijn wel okay. Anderen denken in mij (eindelijk!) een aanverwante ziel te hebben gevonden die hen de redding zal bieden. Soort vindt soort zeker? Ik weet niet of zij één van hen is of gewoon iemand met toevallig koudegevoelige handen en hoofdhaar. Als dat alles zou geweest zijn… Daar kan ik mee leven. De rest van de wandeling heb ik blootvoets op wolkjes afgelegd. De Engel Gods…

Waar zou ze nu zijn? Zou ze nog steeds koude handjes hebben? Die broek zal ze ondertussen wel omgewisseld hebben voor een langere vermoed ik. De dagen zijn er niet warmer op geworden. Zou ik naast haar mogen rijden? Of nee, liever wandelen. Samen fietsen vind ik onhandig. Ik heb het eens gegoogelt om te kijken of ze een punt had. Mwja, met een dronken half oog toegeknepen. Maar dat geeft niet. Hoe zou het met haar nu zijn? Wat zijn haar passies? Welke sloefjes draagt ze thuis? De mijne zijn bijna versleten. Ik moet er dringend nieuwe gaan halen voor de winter. Heeft ze net als ik een knuffel in de zetel zitten die haar beschermd? Maakt ze wel eens soep klaar? En zo ja, hoe? Is ze links- of rechtshandig? Ik ben linkshandig, dus moesten we ooit naast elkaar zitten om te schrijven, dan moet ik wel zien dat ik links van haar ga zitten. Neemt ze ook de nieuwe serie van The Muppetshow op of zou ze live kijken? Als ze die niet kent dan moet ik haar dat leren kennen want een muppet heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. Heeft ze vaste routines? Zou ze vandaag op hetzelfde moment aan dat zebrapad staan?

Klein pluimpje

Vóór één van de vrouwen hier aanwezig ook maar de aankoop overweegt van mijn persoon als geheel moet ik ze laten weten dat ik een duim heb. Twee eigenlijk, maar als man in bloed en lijden kan ik me maar op één van de twee tegelijk richten. Daarnaast ben ik een linkse rakker dus ik focus mij in dit schrijven vooral op de duim van mijn linkerhand. Ik ben er nog niet geheel uit of ik hem mijn linkerduim moet noemen of mijn rechterduim. Hij bungelt weliswaar aan de linkerkant van mijn lichaamsas, maar hij staat aan de rechterkant van mijn hand als ik mijn arm ontspannen naar beneden laat hangen of een streepje bestseller typ op het klavier van mijn computer. Idem dito maar dan volledig omgekeerd met de andere duim. Is hij het die mijn rechterduim mag genoemd worden? Het is de énige duim die aan de linkerkant van één van mijn handen staat. Geen idee dus… De handen christelijk omdraaien zodat de palmen naar boven staan zoals Jezus ons zijn wonden liet zien is geen optie. De duimen staan vergeleken met de lichaamsas in die positie dan wel in de juiste richting, maar probeer het maar eens: dat voelt minder natuurlijk aan. In die houding voel je de spieren van je onderarm en polsen méér stretchen dan wanneer je de palm naar de lava binnenin de aarde laat richten. Ik laat het over aan de vrouw die ze wil beroeren om er haar eigen naam aan te geven. Voor hetzelfde geld kan het haar helemaal niets schelen hoe dat kleine drommeltje mag heten.

Het is wel een klein drommeltje moet ik toegeven. Ongeveer even groot als de pink aan diezelfde hand maar dikker en robuuster. Ik bedenk mij ineens dat Tolkien die van hem als basis moet gebruikt hebben om zijn dwergpersonages van zijn Lord Of The Rings verhalen op te baseren. De Elven zal hij dan misschien gebaseerd hebben op pinken. Die zijn meer gracieus en slanker. Een mens kan zo vele verhalen vertellen op basis van en mét zijn vingers. Maar dat is voorbij. Die boeken zijn geschreven. Daar valt niets meer aan toe te voegen. Ik moet het met mijn eigen duimpje stellen en daar valt genoeg over te vertellen. Zo mag je hem nooit vergelijken met andere vingers. Als je dat toch doet dan komt hij er maar sobertjes uit. Hij heeft maar twee kootjes, één gewrichtje (als je het gewricht onderaan, die aan de palm vast hangt, niet meerekent), hij is de méést volslanke van hen allemaal, heeft de grootste nagel en ik kan er alleen maar mee naar achteren wijzen. Het is onmogelijk om met mijn duim naar iets te wijzen dat voor me ligt. Niemand zal dat zien als een teken van: “Ik moet onmiddellijk naar daar kijken want hij zal mijn ogen naar iets willen richten dat voorzekers de moeite waard is om naar te kijken! Een leuk stuk vlees, een natte bloem, vallend aardappelzetmeel of een kind wiens dromen nét gebroken zijn door een confrontatie met een realiteit dat zijn hersenen nog niet kunnen verwerken.” Een duim heeft het simpelweg niet in zich om vooruit te wijzen. Is hij daarom minder belangrijk? Als hijzelf hierop zou kunnen antwoorden, dan was het antwoord “jazeker”. Zoiets ligt in zijn karakter. Hij is de meest verlegen van alle vingers van die hand. Dat houdt je niet voor mogelijk. Doordat hij zo anders is dan de rest heeft hij het laagste zelfbeeld opgebouwd. Wat wil je, hij kan maar één buiging maken. Daar tegenover staat wel dat hij in bewegingsvrijheid iets meer kan dan de rest, maar hij kan er nooit bovenuit stijgen. Wat hij ook doet, hij blijft daar ergens onderaan steken. Moest ik de hand boven water willen houden dan is hij de eerste die onder het wateroppervlak verdwijnt. Dat pakt hem. Dat pakt hem diep. Hij heeft dat nooit kunnen verkroppen. Vanaf hij het besef ontwikkelde dat hij een individu was, dat hij zichzelf loskoppelde van de buitenwereld en bijgevolg ging vergelijken, kon hij niet anders dan naar boven kijken om te zien hoe de andere vingers het deden. En daar stond hij dan met zijn twee kootjes. Hoe zeer hij ook datgene wou kunnen wat de anderen deden, het lukte hem gewoon niet. Zijn lichaam was er eenmaal niet op gebouwd. Hij kon wel draaien en buigen en gek doen maar dat heeft hem nooit enige voldoening gegeven. De andere vingers zien dat ook natuurlijk en hebben er geregeld wel eens compassie mee. Dan nodigen ze hem uit om een diepe buiging te maken waarbij ze dan allemaal de gewrichten buigen zodat de kootjes zich strak rondom hem sluiten als een warm deken. Dan zit hij daar in een coconnetje. Op zich vindt hij dat wel prettig. Hij houdt wel van die aandacht. Toch valt het hem zwaar dat hij de enige is van alle vingers die deze troost wel eens nodig heeft. Waarom kan hij niet zijn zoals de middelvinger, om maar metéén de grootste te noemen. Of de wijsvinger, dat is zijn favoriet, zijn grote idool.

In principe is het voer voor psychotherapeuten om hier wat meer onderzoek naar te doen. Want waarom heeft de duim aan mijn linkerhand meer “issues” dan degene aan mijn rechterhand? Dat is niet zo moeilijk te verklaren geloof ik. Vanuit de basis hebben ze alle twee hetzelfde meegekregen. Ze zijn op enkele te verwaarlozen details na identiek qua vorm, bewegelijkheid en status. Als kind, en zéker als baby, neemt ieder van ons méér prikkels op van wat er gaande is in de buitenwereld en het eigen lichaam, dan wij als volwassenen nog kunnen. Ik ben er dus van overtuigd dat ik als klein ukkie al doorhad dat mijn beide duimen persoonlijkheidsproblemen hadden. Maar… En nu komt het hele eieren eten… Ik ben linkshandig! En wat doet een linkshandige? Puur vanuit een onbewust aanvoelen steekt hij de duim van zijn rechterhand in zijn mond. Niet die van zijn linkerhand. Oh nee, want daarmee wil hij spelen. Zie daar de achterstand in zijn emotionele ontwikkeling! De duim aan mijn linkerhand heeft al vanaf het prille begin moeten aanschouwen hoe zijn “gelijke” wél door mij getroost werd door hem in een warme natte (baarmoederachtige zo u wil) grot te steken om daar geliefkoosd te worden door een tong, terwijl hij zélf nooit iets méér gekend heeft dan een oksel, twee benen of een kussen en een dekentje. En een jonge duim voelt wel dat hier iets speciaals gaande is, maar hij beseft nog niet dat dit abnormaal is. Hij kan nog niet vragen om ook eenzelfde behandeling te krijgen. Hij weet zelfs nog niet dat het kàn, laat staan mag, om voor zijn eigen emotionele rechten op te komen! Op die leeftijd denkt hij dat alles maar normaal is. Later, ja veel later, als het kwaad al geschied is en de trauma’s zich zodanig gesetteld hebben en bedekt werden met zulke skyscrapers onzin dat er met geen stokken nog bij te komen is, ja dan kan er ineens ergens iets beginnen borrelen waarvan de volwassen duim zoiets heeft van: “Waar komt dit nou vandaan?” Begin er dan maar eens aan. Ik probeer hem met ratio wel eens te troosten door hem er aan te herinneren dat ik zonder hem geen glaasje melk kan vasthouden, de standknop van mijn broodrooster niet wat hoger kan draaien, mijn neus niet kan snuiten of de spatietoets gebruiken, maar dat is gelijk bloed op een wonde smeren. Hij wil getroost zijn, geen troost krijgen.

Indien jullie de indruk krijgen dat ik mijn handelswaar aan het zwartmaken ben om jullie tot een aankoop te weerhouden, dan is dat een beetje verkeerd. Hooguit wil ik vragen om er rekening mee te houden alvorens tot aankoop over te gaan. Het verhaal van de duim van mijn linkerhand is geen uitzondering. Elk lichaamsdeel heeft zo wel zijn eigen verhaal. In elk van die rugzakken zitten vrolijke dingen in, maar ook minder vrolijke dingen. Ik zal mijn best doen om die dingen die niet leuk zijn niet in de verf te zetten. Dat kan ik wel. Geheel verwijderen is minder haalbaar. Waarom zou ik ook? Ik ben er zeker van dat elk van jullie lichaamsdelen ook zijn of haar verhaal te vertellen heeft. Als mijn toekomstig bazinnetje naar die van mij wilt luisteren, dan luister ik graag ook naar die van haar. De natuur heeft alleen vogels extra in de watten gelegd. Vrijwel élke centimeter van een vogel heeft namelijk al het pluimpje gekregen dat het verdient.

Ronkend Knorren

Die ochtend werd ik wakker. Ik voelde even of het waar was en inderdaad… Het was zo. Ik was knorrig. Ik zette mijn knorrenpruik en besloot om vandaag de boel maar te laten gelijk het is. Je kunt niet alle dagen op topniveau spelen. De kans dat ik vandaag iets zou veranderen is miniem. Je weet zoiets nooit zeker natuurlijk. Ik kan zomaar ergens een slapende kat tegenkomen en besluiten om van de gelegenheid gebruik te maken om in alle stilte, zodat ik het beestje niet wakker maak, de wereld te veranderen. MIJN wereld dan natuurlijk, voor de goede verstaander. DE wereld moet zijn eigen boontjes maar zien te doppen. Daar heb ik niets aan te zeggen. Ik heb hem al zo vaak gezegd dat het moest ophouden met zulke domme dingen te doen, maar denkt iemand dat het luistert? Nee hoor. Integendeel, hij gooit er meestal nog een schepje bovenop. Mijn wereld echter, dat is iets anders. Die gaat ook niet altijd gelijk ik wil, maar ik besef het. Veranderen is niet iets dat ik graag doe, zelfs als de huidige situatie niet prettig is. Een slechte stabiele situatie is nog altijd beter dan een veranderende situatie. En toch doe ik het. Constant. Onmerkbaar voor het blote oog. Gelijk de zon, de maan en de sterren. Die staan ook nooit op dezelfde plaats, maar je ziet ze niet bewegen.

Hier op mijn stoel gezeten bedenk ik dat ik eigenlijk nooit beweeg. Ik als individu blijf altijd op dezelfde plek. Mijn lichaam, ja die wil al wel eens uit de hoek komen met een flinke wandeling of een sprong in de lucht met de benen wijdt en de armen gespreid. Maar ikzelf, nee, ik blijf altijd op dezelfde plek. Ik zie alles wat verandert vanuit dezelfde paar ogen. Mijn oren zijn nog steeds degene die ik als klein kind had. Daar is niets aan veranderd. Al besluit ik om van deze stoel naar de zetel te gaan, alles blijft hetzelfde. Het verandert niets aan wat ik ben. Alleen mijn omgeving is niet meer dezelfde. Mijn achterwerk zal dan iets zachter zitten, mijn rug wat luier tegen de kussens, de lichtinval zal langs de andere kant komen, ik hoor bepaalde geluiden niet meer, andere geluiden zijn er dan weer bijgekomen. Ik kan een boek lezen of iets bijleren waardoor ik ineens een nieuwe kijk op het leven krijg. Verandert dat iets? Enkele ogenblikken later zal ik geheid naar de WC wandelen om daar de zoveelste druppel water in te loodsen. (Terzijde: een WC is een emmer die in goede staat nooit zal overlopen. Onthoudt dat. God is groot!) Dat is een handeling die ik al jaren doe. Kan ik dan werkelijk met de vinger op het hart aan mijn omgeving beweren dat deze nieuwe kijk op het leven iets wezenlijks heeft veranderd? Mijn perspectief, ja dàt is dan wellicht anders geworden. Maar dan had ik evengoed naar de vijver van het park kunnen gaan en daar naar het water gaan kijken. Dat had mijn perspectief ook veranderd. Nieuwe omgeving, nieuwe indrukken, oude zintuigen, oude gedachtestromen.

Ik ben een mens. Daar ben ik zeker van. Dat is de éne constante waar ik altijd rekening mee moet houden. Het betekent onder andere dat ik het niet in mijn hoofd moet halen om de vleugels te spreiden, met mijn tong mijn buik likken, in volle galop over een haag springen of de nectar van de ene na de andere bloem te eten. Het heeft ook zijn voordelen. Ik kan een programma op een computer installeren, ik kan naar de supermarkt gaan om daar een potje boontjes in tomatensaus van het rek te nemen en vervolgens aan de kassa  betalen, ik kan overhemden strijken en deze in mijn kast leggen of ik kan zelfs twee kilo boontjes kuisen, blancheren en mooi ingepakt in een plastieken zak in mijn diepvries leggen. Dat alles kan ik doen. Ik doe het niet, althans nu niet, maar ik kan het wel. Op zich is dat niet slecht. En het is ook al heel wat. Toch had ik graag wat meer pels gehad. Of veren. Of een staart waar ik in tijden van verveling wat mee kan spelen. Dat lijkt me leuk. Of nagels die ik in en uit kan trekken om te laten zien dat ik kwaad ben. Verdorie ja zeg… Dat zou wat geven. Ik zou het nooit doen natuurlijk want de kans is dan groot dat iemand anders nog grotere nagels gaat uitslaan.

Mijn grootheid is afhankelijk van de afstand die er tussen mij en de andere is. Hoe groter die afstand, hoe groter, mooier, slimmer en welriekender ik ben. Dat is niet alleen een kwestie van perceptie, dat is ook fysica, biologie en natuurkunde gecombineerd in één. Het is live te zien aan mijn lichaamshouding als ik over straat wandel. Loop ik alleen dan wandel ik gelijk John Wayne op zijn paard doorheen de prairie van het Wilde Westen. De teugels van het paard losjes in de handen. Zie ik iemand (en mijn gedachten gaan dan liever naar een mooie vrouw) in de verte verschijnen die mijn richting komt aanwandelen, dan zie je mijn wandelpas geleidelijk aan veranderen. Zoals een omgekeerde Gausscurve verandert mijn zwoele tred tot het zijn dieptepunt bereikt als zij binnen handbereik is en ik een exacte kopie van de pas van een zwetende Charlie Chaplin doe maar dan zonder stok of bolle hoed. Deze malle trend herstelt zich dan weer naarmate de focus van mijn verlangen zich verder en verder van mij verwijdert tot zij voorgoed uit het gezichtsveld verdwenen is. Vanaf dan ben ik weer de held van het Wilde Westen, de Koning van de Rock ‘n’ Roll, de leverancier van Cola Light en het boegbeeld van William Lawson. Ik ken mannen bij wie net het omgekeerde gebeurt. Persoonlijk vind ik mijzelf sympathieker. Een oen ook wel… Een sympathieke oen dan.

Op een tijdspanne van pak-hem-beet om en bij twee minuten kan ik, in de juiste omstandigheden, de gehele evolutietheorie van Darwin ervaren, maar dan omgekeerd. Om van fiere rechtopstaande man te hervallen naar een bacterie in de kosmos in zulk een kort tijdsbestek, dat is een kracht die gekoesterd zou mogen worden. Moest ik die in energie kunnen omzetten, dan zou op het gehele Europese continent in één seconde alle plons springen. En dat alles gaat er om in dat kleine frêle lichaampje van me. Hoe kan ik dan beweren dat ik niet beweeg? Ik ga voor minder naar de knoppen van bomen kijken in de vroege lente om te zien of er al groen te bespeuren is. Wat de aarde is voor de theorie van Darwin is mijn bewustzijn voor mij: het enige dat doorheen de tijden, doorheen de evolutie nooit veranderd is. Mijn gedachten kunnen veranderen, maar mijn bewustzijn niet. De mensheid kan veranderen, maar de aarde blijft een grote bol die ergens tussen de sterren zweeft. Misschien zoek ik het te ver en moet ik meer naar het kernpunt van mijn/het leven staren. Er is niets mis met mijn naveltje. Het is het centrale punt van héél mijn wereld. Alles draait er rond. Het nieuwe stationsgebouw die nog in volle aanmaak is van de stad waarin ik woon, de verkiezingen in de Verenigde Staten, de Pokemonhype, de Goden van deze wereld, Pluto (de planeet, niet de hond), de aardvlooien die het groen van mijn radijzen grotendeels opgegeten hebben, de nieuwste van Star Wars, de rode strandpakjes van de meiden van Baywatch (van weleer), de peperbollen in mijn molen, de smeltende ijskappen van de Noordpool,… Of ik het nou wil of niet, alles draait rond mijn navel. Een leuke gedachte als ik daarbij aan de billen van Claudia Schiffer denk; minder leuk als ik aan de kindertjes denk die voor een hongerloon de onderdelen van onze afgedankte elektronische apparaten moeten sorteren. Maar ja, niemand is perfect denk ik dan maar. Een prima gedachte voor welk schuldgevoel dan ook. Zijn daar dan geen grenzen aan? Jazeker, ik ga mij niet schuldig voelen voor mensen die zich laten enthousiast maken door wetenschappers om een enkele reis naar Mars te ondergaan en daarbij geloven in het idee dat ze daar op termijn gelukkig mee zullen zijn. Zijn zij die dat niet doen dan gelukkiger hier? Nee, maar zij hebben nog de keuze om op hun stappen terug te keren.

Alles evolueert maar niets beweegt. En wat dat toch doet, kan nooit meer terug gaan. Voor zolang ik hier in dit hoofd (en tot nader order nog steeds dit lichaam) mag blijven ben ik een redelijk tevreden man. Toen was ik knorrig, nu tevreden knorrig.

Verwarring

Haaa, de liefde. Wat is er mooier dan een kunstenaar die het probeert te visualiseren, verbaliseren of in klanken om te zetten? Daar bestaan mooie staaltjes van voorbeelden van. Ik heb altijd gedacht dat liefde uitsluitend een menselijke uitvinding was. Een vrouwvriendelijke manier om uit te leggen dat ik jou nodig heb voor het één of het geen, dat ik gewend ben geraakt aan jou of dat jij voor mij een functionele rol vervult die ik zelf niet kan of wil invullen. In feite is het ook niet meer dan dat, maar je kunt daarmee niet afkomen bij een potentiële of actuele partner. Ik hoor de burgemeester al zeggen: “Bolle Bientje, neem jij deze vrouw tot jouw wettige echtgenote, om de vuilniszakken buiten te zetten, noodzakelijke klusjes uit te voeren des huizes, haar de moederrol te laten vervullen zodat ze zich een volwaardige vrouw voelt, haar af en toe zult kalmeren met attenties en een spiegeleitje op bed met een glaasje jus d’orange en haar zult beschermen tegen grijpgrage mannen die deze prachtige vrouw, dewelke zo meteen officieel de jouwe zal zijn, willen verorberen tot de dood jullie scheidt?”
“Jazeker en vast!” hoor ik Bolle al zeggen.
“En jij, Mally Stoempie, neem jij deze man tot jouw wettige echtgenoot, teneinde hem van goed eten en propere kleren te voorzien, zijn eigendom netjes te houden, hem een nageslacht te geven met de nodige verve zodat hij trots en zelfverzekerd in de maatschappij kan staan, hem zijn zorgen ontnemen door attentvol en pro-actief zijn kleine hebbelijkheden te vergeven en hem een warm onthaal te geven waar deze loebas steeds op kan terugvallen als hij van het harde leven buiten terugkomt?”
“Reken maar van jawel!” zal Mally zeggen.
Daarom stond ik deze week ook perplex toen ik van Moedertje Natuur haarzelve, de énige échte, een beeld kreeg waarmee ze mij leek te zeggen: “David, je bent verbitterd geraakt. Je geloof is weg. Je bent cynisch geworden en hard. Liefde is méér dan afhankelijkheid. Liefde is…” En ze liet mij een beeld zien van twee fietsen die naast elkaar, achteraan een grote fietsenstalling, stonden. Een stevige plant was volledig doorheen de spaken, het frame en de tandwielen, rondom de pedalen, het stuur, het zadel en de bagagedrager gegroeid. Die plant had deze twee fietsen zo in elkaar laten verstrengelen dat het behoorlijk wat moeite zou kosten om ze weer uit elkaar te krijgen. En daar, tussen die verwarring van blad en ijzer bloeiden bloemen. Moeder Natuur had mij geen duidelijkere boodschap kunnen geven als zou ze mij een natte gazet in het gezicht had laten vliegen waarop een artikel stond over het zesenveertig jarige bestaan van de film Love Story met Ryan O’Neal en de über-schoonheid Ali MacGraw. Wat was ik als kind van zes verliefd op die meid. En kwaad op Ryan! Het heeft me zeker nog jaren gekost waarin ik films zag waarin de beide andere rollen speelde vooraleer ik besefte dat het allemaal maar fake was. Mijn eerste liefdesverdriet… Of kan ik die éne meid meerekenen van de kleuterschool waar toen iederéén verliefd op was. Nee, dat was pure lust vrees ik te moeten toegeven. Op één of andere manier wou toen élke jongen onder haar rok kijken. Ik was haar dan ook altijd snel vergeten eens de grote vakantie aanbrak.

Sinds Ali zijn al veel liefdes de revue gepasseerd. Als ik uitreken hoeveel dagen er in een jaar zijn én hoe oud ik ondertussen geworden ben, mag ik gerust spreken over duizenden. Wie houdt het nog bij allemaal. Toegegeven… de éne liefde was al wat groter dan de ander. Degene die ik op straat gewoon voorbij wandel of toevallig achterna loop, dat zijn de kortste natuurlijk. Maar daarom niet minder heftig. Liefde heeft niets met tijd te maken. Houd ik meer van jou omdat ik méér tijd met je doorbreng dan met mijn knuffelolifantje? Ik dacht het niet! Liefde heeft ook niets met intensiteit te maken volgens mij. Je hebt het, of je hebt het niet. Het is gelijk die plant die die twee fietsen met elkaar verbond. Die plant is er nu eenmaal en hoe langer het duurt, hoe steviger en méér allesomvattend het wordt. Ik hoop dat het een wintervaste plant is. Of dat de onderhoudsploeg er geen korte metten mee maakt. Of erger nog, dat één van de eigenaars terugkomt en één van de fietsen meeneemt.

Goed en wel beschouwd: kan je deze plant als onkruid beschouwen? Een plant die zoveel emotie oproept. Daar stond ik, eerst nog met een mond vol tanden en spuug, later met een hoofd vol verwarring, twijfel en gedachtenkronkels. Dit is de liefde. Daar wil ik naartoe. Zo wil ik houden van. Twee eenheden die letterlijk én figuurlijk op een “natuurlijke” wijze met elkaar verbonden worden. Ergens gewoon stilstaan met twee. Niet bewegen, niets zeggen… Gewoon zijn. De plant der liefde rondom je lichaam voelen groeien. Zachtjes, elke dag een beetje groter. Meer dan wat kietelen voel je niet terwijl je verbonden wordt met de ander. Je blijft gewoon staan. Het is niet beangstigend. Je kijkt uit naar wat er nog kan komen. Je voelt je veilig. Soms heb je zon, soms heb je regen. Je wordt nat, je wordt weer droog. Het is okay. De plant groeit daardoor sterker en steviger. In die groeiende cocon heb je geen sekseverschillen meer zoals koken, zagen, strijken, spijkeren, afwassen, hameren,… Geen zij, geen hij, er is maar één sekse: alleen wij.

Nuja, wij… ’t Is te zeggen… De virtuele vriendin die mij ooit betrapt op het naar haar verwijzen in termen als “die van ons” mag mij gerust met véél dramatiek ter plaatse verlaten. Ik zal hetzelfde doen. Er zijn grenzen aan het wij-gevoel. Ik zal altijd een individu blijven en ik verwacht van haar hetzelfde. “Wij” bestaat alleen binnen de cocon. Daarbuiten is het “hij” of “zij” of nog beter “mijn waauw”, “mijn godsallemachtig”, “mijn jeetjemina” of eventueel “die van Grawl”. Moesten wij ooit virtuele kinderen krijgen, tsja, dan zou je kunnen zeggen dat die van ons zijn. Maar zo ver zijn we van bijlange nog niet. Voorlopig maar eerst proberen om mijn schroom te overwinnen bij diegene waarbij ik het zou willen overwinnen. Terwijl hopen dat ze ondertussen niet haar biezen pakt vooraleer er ook één klein scheutje tussen haar tenen naar boven dreigt te schieten. De kunst is wellicht om voldoende afleiding te voorzien zodat ze het niet merkt. Ramses Shaffy bezong het indertijd al: “Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, want dan wordt je lekker nat.” Hij wist wel waar de mosterd vandaan kwam.

En toch… Vluchtig, nat, hard, stevig, bindend, vloeibaar, kneedbaar,… Liefde heb je in verschillende consistenties. De moleculaire structuur ervan is voor mij niet te vatten. Iets dat niet te vatten is, vind ik moeilijk om te geloven. Ik aanvaard dat het bestaat, maar ik geloof er niet in. Geef mij iets tastbaars en ik zal beginnen twijfelen. De plant die rond die fietsen gegroeid was, is een klimopachtige die zich vastklampt aan alles wat op zijn weg komt. Het zal je eigen fiets maar wezen. Ik moet er niet aan denken. Die tentakels van die plant bijten doorheen beton, laat staan wat het met het ijzer van die fiets gaat doen. Liefde zit in het hoofd. Ik heb die plant gebruikt als metafoor voor wat ik het meeste mis: het geloof dat het bestaat. De Ali uit mijn jeugd is weg gegaan.

In mijn hoofd slingert het van hier naar daar. Ik wil vasthouden aan het één terwijl het ander meer houvast biedt. Al maakte ik er een beeld van, dan nog zou het niet tastbaar zijn. Door er woorden aan te geven maak ik het niet bespreekbaar. Mijn stem verleent zich niet tot de juiste klanken, maar als ik nou eens Google naar een leuk muziekprogramma…

Het naakte aapje

Er is een merkwaardige trend gaande in de wereld van de bi-rondellen. Ik wil het al een tijdje merken. Het is net alsof het aandachtspunt van wat belangrijk is verschoven is. Ik keur het niet goed, ik keur het niet af. Ik kan het alleen maar aanschouwen en aanvaarden dat het is gelijk het is. In de wereld van de quadri-rondellen zijn bij mijn weten al lang geen bijzondere nieuwe vernieuwingen meer uitgevoerd. Okay, we hebben de elektrische wagens, wagens op gas en wie weet later nog op zonne-energie. Hoogstens kun je de volautomatische wagen als een nieuwe trend gaan beschouwen, maar ik geloof niet dat zulks nog voor de eerste twee decennia zal zijn. Momenteel lijkt de business-industrie zich vooral bezig te houden met de klassieker van de bi-rondel: de fiets. Ik schrijf dit woord “fiets” met een zekere emotionele beladenheid. Ik mag dat want ik ben een automobilist. Daarmee bedoel ik dat ik op eigen kracht beweeg, zonder hulpmiddelen van brandstof, elektriciteit, gas, steenkool of kernenergie. De enige hulpmiddelen waar ik eventueel soms een beroep op doe zijn koffie, uien met bonen, wind mee, een bergaf, het idee dat een lekkere meid mij in de rug aan het gadeslaan is of een héél stuk verder voor mij zelf aan het fietsen is. Waarom ik daarnet schreef dat ik een emotionele beladenheid voel bij het woordje fiets is omdat steeds ouderwetser klinkt. De activiteit van het fietsen zelf lijkt steeds meer beïnvloed te worden door de standaarden van de quadri-rondel gebruikers. Snelheid, dat is hét woord van de eeuw. Alles moet sneller. De snelheid van wagens is de vorige eeuw zodanig opgedreven dat we genoodzaakt zijn een maximum snelheid op onze wegen te voorzien. Hetzelfde zie ik vroeg of laat ook nog met fietspaden gebeuren. Onze fietsen worden steeds sneller. Niet allemaal natuurlijk. De stadfiets rijdt nu niet significant sneller dan dertig jaren geleden. Het zijn door de band genomen oerdegelijke fietsen waar niets tegen in te brengen valt. De meest revolutionaire evolutie die momenteel aan de gang is bij de stadsfiets is de introductie van de bagagekarretjes of de terugkeer van de bakfietsen. Moedertje Natuur kijkt daar glimlachend naartoe terwijl ze denkt: “Ziedaar… Goede naakte aapjes!”

Nee, het feit dat ook de bi-rondellen tegenwoordig sneller en sneller gaan is vooral te merken in de toenemende aanwezigheid van elektrische- en wielrenfietsen. Op zich prima uitvindingen, die de concurrentie zeker mogen aangaan met de rollator, elektrische rolwagens en brommers voor mensen die door omstandigheden extra hulp nodig hebben bij het zich verplaatsen. Een klasse apart zijn natuurlijk de motors. Op de fiets na is een motor het enige andere vervoermiddel waarvan je met zekerheid kunt zeggen: dit een transportmiddel met als enige doel om zonder boe of baa van A naar B te geraken. Allé, ’t is te zeggen: ze geven iets méér boe en baa dan een stadsfiets maar op de schaal van Darwin zullen zij rechts te zien zijn, terwijl de klassieke fietser eerder links staat. Ze rijden op de echte baan, niet op fietspaden. Hetzelfde kan ook voor wielrenfietsen gezegd worden, maar niet zonder een strafbaar feit van de bestuurder in het achterhoofd te houden.

Ik ga ervan uit dat iedereen die met een elektrische- of wielrenfiets rijdt daar wel een respectabele goede reden voor heeft. Een reden waar ze zelf niets aan kunnen doen. Aambeien bijvoorbeeld. Een perfecte reden om jezelf als de wiedeweerga van de éne naar de andere plaats te willen verplaatsen. Hoe sneller hoe liever denk ik dan. Ik zou ook niet graag lang op een zadel zitten met aambeien. Daarom heb ik alle respect voor mensen die wegens medische redenen, zij het aambeien, incontinentie of gewoonweg een psychische aandoening via de huisarts of de specialist een wielrenfiets voorgeschreven krijgen met aangepaste nauwsluitende kledij voorzien van éxtra vocht opslorpend zeemvel aan kruis en zitvlak. Geen probleem. Als vredelievende humanist die niemand iets kwalijk toewenst heb ik wel eens medelijden met hen als ik ze zie fietsen. Aan het gezicht alleen al zie je dat die mensen aan het afzien zijn. Je ziet aan de stand van hun mond dat elke trap pijn doet. Hun ogen zijn meestal verborgen achter een donkere bril omdat ze wellicht nét uit het ziekenhuis ontslagen zijn en nog even moeten wennen aan het échte daglicht. Chapeau & Respect!. Ik heb er anders soms wel wat moeite mee dat ze de rudimentaire verkeersregels van het fietspad en de straat aan hun wielerschoenen lappen, maar ergens begrijp ik dat wel. Ze zijn nog wat verward door de medicatie. Ze doorstaan helse pijnen en het enige waar ze op dat moment aan denken is: “Hoe geraak ik zo rap mogelijk thuis!” Iemand met een zwangere vrouw op de achterbank die een opening van 8 cm nabij is zal ook al eens een rood lichtje negeren als de kans veilig is, of vloeken en tieren tegen een groepje schoolkinderen die hem de weg verspert. De individuele wielrenfietser heeft daarbij nog een éxtra handicap. Hij moet zichzelf, kwetsbaar als hij in zijn of haar dooie ukkie is, een weg banen doorheen de jungle van het wegennetwerk. In groep hebben ze het een stuk gemakkelijker. Dat spreekt voor zich. Vaak worden ze dan nog begeleid door een arts in een wagen vooraan en één achteraan de groep, die de gehele trip volgt om op die manier veilig een weg te banen. Heb je het als groep wat beter op het financiële vlak dan kan het zichzelf een éxtra wagen permitteren die met een luidspreker bovenop de andere weggebruikers waarschuwt dat er een zelfhulpgroepje staat aan te komen. Dat verhoogt het veiligheidsniveau terdege. Maar ja, zoals altijd: niet alleen luxe moet je kunnen betalen, ook veiligheid.

Patiënten die voor de elektrische fiets gekozen hebben, halen tegenwoordig dezelfde snelheden als een gemiddelde snelfietsfietser maar zitten minder onderdanig naar de hun omringende wereld te kijken. Ze kunnen een fierdere of rechtere houding aannemen door de aard van hun fiets. Het is dus méér geschikt voor mensen die onder behandeling zijn van depressies of rugklachten. Of dit een goede therapie is voor deze klachten, daar heb ik mijn twijfels over. In mijn ogen creëer je op die manier mensen met een zekere hoogheidswaanzin. Wie kent de scène niet uit de film Mary Poppins waarin de vrolijke bende op zwevende draaimolenpaardjes in een échte paardenwedstrijd terecht komt. Terwijl de ruiters alle moeite doen om snelheid te halen op hun echte paarden, halen Mary en haar kornuiten hen met het grootste gemak en de minste moeite in. Je ziet ze doodleuk in kaarsrechte houding op hun namaakpaarden die ze nét van de draaimolen gehaald hebben. Een ludiek beeld uiteraard, maar het beschrijft perfect hoe een échte fietser zich voelt als een doorgrijst iemand hem met rechte rug en ontspannen trappersdraaien voorbijsteekt met wind tegen. Het is niet alleen gênant voor de “natuurlijke” fietser, het lijkt me tevens niet erg snugger van een dokter om voor iemand die moeite heeft met de werkelijkheid zulk een realiteitsbedrog voor te schrijven.

Swat, moest ik ook geen moeite hebben met de realiteit, het zou me nooit opgevallen zijn. Een mooi geval van “de pot verwijt de ketel dat de keuken zwart ziet,” lijkt me. Ik ben de eerste om toe te geven dat ik ze zelf allemaal niet geheel op een rij heb. Vroeg of laat zal ik maar al te blij zijn dat deze transportmiddelen bestaan. Ik ben een kind van mijn omgeving. We zijn niet voor niets de grootste pillenslikkende natie ter wereld. Vandaar wellicht onze liefde voor de wielersport. Ik respecteer andere meningen tot het niveau dat er geen schade of ongemak optreedt. Moest ik kinderen hebben en één van hen zou op een welgekozen moment, na lang aarzelen, wikken en wegen, tegen mij zeggen: “Vader? Ik moet je iets bekennen.” “Is het écht? Oei, dat klinkt serieus. Wacht, daar ga ik voor zitten. Vertel op, Joske of Josefientje!” Afhankelijk of het een zoon of een dochter is. In mijn fantasie heb ik weliswaar een voorkeur, maar in realiteit heb je het niet altijd voor het zeggen. “Pa, het zit namelijk zo… Ik geloof dat ik in hart en nieren een wielertoerist ben.” Ik zou misschien toch wel eventjes moeten slikken. Je weet dat het altijd mogelijk is, maar je verwacht het niet. In een flits zie je zijn of haar volledige jeugd terug voor ogen en opeens besef je dat je altijd blind geweest bent voor de signalen die allemaal deze richting uitwezen. En dan zal ik hem of haar een knuffel geven en zeggen: “Mijn kind… Ik heb het al die jaren al kunnen weten maar ik was er blind voor. Het spijt me verschrikkelijk. Ik vind het zo moedig en prachtig van jou om mij dit nu te zeggen. Van mij krijg je alle steun! Ik zal de beste pakjes en het mooiste fietsje voor je kopen die binnen mijn budget liggen. Ik ben fier dat je mij hiermee in vertrouwen neemt. Maar ik zou je nog wel één ding willen vragen als ik mag.” “Natuurlijk Pa, alles! Ik ben blij dat het eruit is en dat je er zo op reageert.” “Dat spreekt toch vanzelf. We zijn de jaren vijftig niet meer. Wat ik je wil vragen is dit: rij altijd veilig, wil je? Waar je ook rijdt, rij veilig. Ook als je in groep rijdt en de anderen doen het niet, ga dan niet met de meute mee maar rij altijd veilig. Dat is voor mij het belangrijkste. Voor de rest doe je maar wat je wilt.”

Groenaardig

“Een schop tegen je grond, dàt kun je krijgen!” En zo waar als ik mijzelf ben, dat kreeg ik dan ook. Het is een experiment over de gehele lijn. Niet alleen voor mij. Ook voor de organisator ervan is het een nieuwe ervaring. Hij vroeg zich waarschijnlijk op een schone ochtend ooit eens af of hij een bende benzinesnuivers, asfaltbijters en plastiekzakken niet zou kunnen omvormen tot brave bloemensnuivende,  grondvretende juttezakken. Zoiets hoeft men mij geen twee keren te vragen. Integendeel, ik heb het mijzelf wel tientallen keren moet bevragen: “David jongen, is dat wel iets voor jou? De aarde is schoon spul maar er mag best een laagje cement overheen. Wat ga jij doen op een naakt stukje grond?” Ik herinnerde mij natuurlijk de beelden van vroeger. Beelden waarop ik als kind gierend, springend en dansend tussen de gewentes van mijn vader liep, die mij dan vloekend, tierend en briesend aanmaande om er als de sodemieter vanaf te komen. Het had wel iets, zo dicht bij de oorsprong vertoeven. Als men dan op school tijdens de les vroeg waar de worteltjes vandaan kwamen, dan wist ik als één van de weinigen daar meteen op te antwoorden: “Uit konijnen meester, want die eten ze op en wij eten dan weer die konijnen op.”

“En wat dan met de zon?” Nog zo een vraag waar ik mij zorgen om maakte. De zon vind ik persoonlijk een fijne bol maar mijn tere huidje heeft het er zo niet mee. Die begint spontaan te blozen als ie ermee in contact komt. En mijn ogen vinden die al helemààl kolére. Als die in mijn ogen schijnt dan knijpen die spontaan dicht zoals een chinees die Clint Eastwood nadoet tijdens een duelscène van een Westernfilm. Maar ach…  België kennende zal dat allemaal wel meevallen.

Nee, hoe méér ik erover nadacht, hoe meer ik de balans voelde overhellen naar de kant van “Gewoon doen, gast!” Het begon met een viertal theorielessen. Daarin leerde we onder andere waar de grond begon en de lucht eindigde. Twee lessen heb ik kunnen mee volgen. De derde en vierde les heb ik moeten passen. In de wereld van volwassenen is het nu eenmaal zo dat er soms andere dringendere prioriteiten op je pad komen dan naar de les gaan. Ik vond het wel spijtig. Zo miste ik een goed stuk van de theorie over wat biologisch tuinieren nu eigenlijk inhoudt. Ik heb mijn vader indertijd vaak in zijn tuin bezig gezien maar dat waren nog tijden waarop het gif niet werd gemeden. Integendeel. Hét motto voor de betere tuinierder toen was: “Van een beetje gif hier en daar, daar worden je groenten schoner naar.” Hoe dat op een biologische manier opgelost werd, ik heb er nu dus nog altijd het raden naar. De praktijklessen zijn ondertussen al wel begonnen en ik vang hier en daar nog wel iets op alvorens mijn verstand totaal blokkeert door de overkill aan ditjes en datjes, weetjes en vergeet-me-nietjes die er tijdens zo’n lesavond op me afkomen. Om nu te zeggen dat mijn hersenen al werkbare banen getrokken hebben in al deze informatie, dat nou ook weer niet. Het blijft wat met de natte vinger peuteren in de schoot van moeder aarde.

Ook voor wat de kledij betreft is het een leerproces. De eerste keer dat ik langs mijn gewente liep (en beeld je hierbij een stuk grond in dat verdeeld is over twintig gewentes van twintig meter lang en één meter breedte; goed voor zo’n twintig “naturisten”) zakten de duurste schoenen die ik ooit gekocht had, duurder dan mijn smartphone, doorheen een laag slijk die dat percies niet leuk vond dat ik zijn natuurlijke vorm betrapte en mij terugbetaalde met een smurrie die qua uitzicht niet veel hoefde onder te doen dan voor de smurrie die men wel eens in pampers van een éénjarige koter terugvindt. Ze waren ocharme nog geen half jaar oud. “Volgende keer doe ik mijn botten aan!” Geloof het of niet, maar als stadsmens heb ik wel degelijk katsjoe laarzen. Ik had die gekocht met in het achterhoofd: “Als er ooit eens een overstroming komt in mijn stad, dan heb ik tenminste toch al deze botjes.” Geen mos op mijn rug dacht er ooit aan dat ik die vroeg of laat in de praktijk zou gaan gebruiken om doorheen slijk, nat gras en vochtig “jeir” te wandelen.

Volgens mijn geheugen was dit de eerste keer dat ik ooit een zaadje in volle grond gestoken heb. Bij mijn vader hielp ik altijd mee in de oogstfase, niet in de beginfase. Zoiets voelt raar aan. Als moderne boer ad interim heb ik mijn zaad via het internet besteld. Onze ouwe had het moeten weten. Zaad kopen via het internet… In zijn tijd was de gele briefkaart het hypermodernste communicatiemiddel beschikbaar. Een kaart waar je geen postzegel op moest plakken. Woehaa! Afijn, daar stond ik dan uiteindelijk met een zakje zaad in mijn handen naar m’n veld te turen. Ik zag de afbeelding van de groente op het pakje en het water kwam me al in de mond. Vervolgens keek ik naar de grond en een vaag gevoel van “Dit kan toch nooit!” overviel mij. Beteuterd keek ik om mij heen. Ik zweer het, moest ik daar helemaal alleen in mijn dooi ukkie gestaan hebben, ik zou een rechtsomkeer gemaakt hebben en de boel voor wat het was gelaten hebben. Maar ik zag iedereen druk bezig met hun eigen stukje grond en telkens als ik deel uitmaak van een groep ben ik meer geneigd mijn verstand op nul te zetten om te gaan voor die banaan. Het eerste zaad was een feit.

Twintig meter is een héél eind. Surtout als je met zaadjes van hooguit één millimeter te maken hebt. Bijkomende overdonderende verplichtingen hebben mij de eerste weken belet om op regelmatige basis mijn stukje grond te bevruchten. Je zult het altijd zien… Mijn leven is één groot georganiseerd geheel waardoor iets nieuws vaak een ingrijpende verandering met zich meebrengt. Die paar keren dat ik vanuit mezelf besluit om iets nieuws daar in te brengen, dan loopt er gegarandeerd op een ander vlak iets mis waardoor ik geen tijd meer krijg om aan het eigen initiatief te werken. Maar ook dat andere is ondertussen gestabiliseerd. Daardoor kreeg ik van de week de tijd en de energie om mijn veld volledig af te werken. In één vloeiende beweging heb ik gedurende vier en een half uren tijd mijn volledige stukje grond af gekregen. Toen ik aan de laatste meter bezig was, zag ik een eindje verder een boertje lopen. Ik wist nog van vroeger dat het op het platteland etiquette was om een boer in zijn eigen habitat te groeten als er één voorbij loopt. Dat deed ik dan ook. Ik was echter vergeten dat ik niet meer het kind was dat naast zijn vader stond. Mijn Pa deed altijd de hele prietpraat terwijl ik rustig nietszeggend kon meeluisteren. Nu was ik de andere boer waartegen er over koetjes en kalfjes gesproken moest worden. En inderdaad, hij kwam naar me toe. Daar stonden we dan als twee boeren naar een stuk grond te staren. Ik was als kind een observator en bijgevolg wist ik precies die houding aan te nemen die boeren aannemen als ze in zo’n situatie waren. Hij stak een sigaret op. Shit! Daar had ik niet aan gedacht. Mijn vader rookte, ik niet. Ach wat… Ik kon er geen doekjes om winden. Hij rook al van verre dat ik stadgespuis was. (Een combinatie van douchegel en Invictus van Paco Rabanne) Ik hield me dus bij mijn rang en stand en deed niet alsof ik wist waarmee ik bezig was. Een kassierster kan ook nooit op hetzelfde niveau praten als de dame van de charcuterie. Voor die kerel was dit natuurlijk ZIJN moment van glorie. Hij kon uitpakken met termen waarvan ik nog nooit gehoord had. “Lichtzaad” bijvoorbeeld. Hij keek naar mijn gewente en schudde daarbij het hoofd.  Hij keek naar mijn kleding. “Die botten dat is nu toch niet nodig.” Hij keek naar mijn werkmateriaal en vroeg of ik geen (…) had. Ik weet allang niet meer wat hij bedoelde. Tegen die tijd zat ik in gedachten al nostalgisch terug te denken aan de rekken van de groenteafdeling van de supermarkt. Blijkbaar was hij familie van de oude man van wie het stuk grond eigenlijk behoorde. Deze man woonde nog steeds vlak naast het domein. Afijn, hij ging die bezoeken, dus kortelings stond ik terug in mijn eigen vel een beetje ontmoedigd de laatste hand te leggen aan het stukje grond dat ik voor één jaar mag gebruiken. Nog geen tien minuten later zie ik hem met een oude man terugkomen. Aha, hier gaan we de wijze raad van een andere generatie meemaken, dacht ik. Ik begroette hem vriendelijk. “Wat is me dat hier allemaal zeg! Dit trekt toch op niets! Moest ik mijn geweer nog hebben, ik zou ze allemaal kapot schieten hier!” De oudjes van nu zijn niet meer die van vroeger. Ik trok mij terug in mijn gedachten terwijl ik mijn schup afkuiste. Nu, terug achter mijn vertrouwde computertafel, is het spannend afwachten op de volgende weken. Zal er geen spinazie groeien op plekken waar ik bonen gezet heb? Zal er überhaupt iets uitkomen? Ik heb alleszins nog geen uitnodigingen verstuurd voor een diner met groenten van eigen kweek. En in geval van kan ik nog altijd een netelsoepje maken van eigen onkruid. Ik lees trouwens nét op het internet dat paardenbloemen ook eetbaar zijn. Dat is dan mooi meegenomen als alternatief.

Zuigstof

Ik weet niet of het zo slim is om in het openbaar te bekennen dat ik mijzelf wil bezondigen aan zware fiscale fraude, of zelfs diefstal, afhankelijk wat je onder die termen verstaat. Ik ben zeker geen fiscalist. Zou Marc Coucke eventjes tijd voor mij willen vrijmaken? Wat voelt deze situatie ijl aan! Moet ik nu mijn haren laten knippen en een muts kopen? Of vluchten naar een geheim adres in Hawaii? Of is het voldoende als ik voortaan alleen nog maar ’s nachts buitenkom? En hoe ga ik dan aan aardappeltjes geraken? Waar haal ik een zakje sodakristallen voor het betere ontvettingswerk? Dat hebben ze niet in nachtwinkels geloof ik. God-o-god wat heb ik mijzelf nu weer aangedaan. Het begon allemaal zo onschuldig. Ik had gewoon een nieuw mondstuk nodig. Mijn oude was versleten. De haartjes waren bijna zo goed als tot op de naad afgesleten en het plastiek vliesje was ergens bij één of andere zuigbeurt voorgoed opgeslokt. Ik zat letterlijk op puur ijzer te zuigen. Om daarvoor een gehéél nieuwe te kopen, dat vond ik zonde. De machine zelf deed het nog prima. Daar was niets op aan te merken. En ik had nog zakken genoeg op voorraad om te zuigen voor jaren. Waarom dan veranderen? Nee, ik had gewoon een nieuw mondstuk nodig. Simpel zat. En dan nog liefst dezelfde. Ik heb er zo’n veertien jaren mee gezogen, dus dat het prima kwaliteit was, dat staat buiten twijfel. Toen ik hem kocht had ik verdomd nog geen internet thuis. Een oplossing voor het probleem was dus simpel. Ik zoek gewoon het model op via de site van het merk. Daar zou ik wel wisselstukken vinden. Het kan toch niet zijn dat iederéén een nieuwe koopt als gewoon het mondstuk een beetje zo volledig versleten is zo? Komaan! We hebben het hier niet over een satelliet hé.

Dus ik zoeken maar niets vinden. Ik besluit de koe bij de uiers te pakken en bel hen op via mijn draadloze GSM. Na wat keuzeopties doorlopen te hebben kom ik bij een mamzelleke met een zwaar Hollands accent. Alles ging goed, vriendelijk en liefdevol tot ik het model en mijn serienummer doorgaf. Dat was alsof ik naar de helpdesk van mijn werk ga voor een probleem met mijn oude typmachine. “Oei mijnheer, en zuigt die nog?” “Mevrouw, ik heb er net nog mee gezogen,” loog ik. “Kunt u even aan de lijn blijven, dan bespreek ik dit met de technische dienst.” “Geen probleem, ik zal ondertussen nog wat afstoffen.” Een man die belt voor een stofzuiger is op zich al geen stoere kerel, dus ik deed er nog een schepje bovenop. Het moet voor iedereen leuk blijven. Na een tijdje kreeg ik haar terug aan de lijn en ze stelde voor om toch die éne daar te proberen waarvan ik een afbeelding op de site zag staan. “Het is de meest gelijkaardige als degene die u nu in bezit heeft. Als die u niet bevalt, geen probleem, dan zoeken we wel een andere oplossing.” Okay, ik bestel, betaal en ontvang het mondstuk kortelings volgens de regels van het moderne winkelen. Ik liet het op mijn werk afleveren. Dat is nét zo handig. Het was misschien de eerste keer dat ze een mondstuk binnenkregen op de Postkamer daar. Gelukkig zat het in een anonieme doos waardoor niemand kon vermoeden welk speeltje erin schuil hield.

Blij met mijn succes op de onafhankelijkheid maakte ik het achter mijn bureau meteen open. Daar was ie dan. Mijn nieuwe mondstuk. Hij blonk als een nieuw mondstuk hoort te blinken. Maar ik was er toch niet geheel gerust in. De dame zei me al “als die je niet bevalt…” en zie nu, ik zie geen gaatje aan de buis. De mijne had een gaatje. Dat gaatje zat daar niet voor niets. Daar paste een tsjupke in dat daar moest intsjuppen als ik de buis van de slang in het mondstuk stak. Waarom zat hier nou geen gaatje in? Hoe blijft dat mondstuk dan steken als ik aan het zuigen ben? Als ik zuig dan kijk ik niet op een pootje meer of minder. Als ik zuig dan gaat het er soms hevig aan toe met flinke slagen van onder het meubilair. Dat mondstuk MOET dus stevig eraan vasthangen, anders wordt het een boeltje. Nee, ik was niet tevreden. Ik bel metéén terug. Ik kreeg uiteraard iemand anders aan de lijn. Het zou mij verbaasd hebben moest een firma als Phillips maar één telefoniste in dienst hebben voor de klantendienst. Ze wist van toeten of zuigen maar dankzij het nummer van het ontvangstpapiertje wist ze mijn dossier boven te halen. “Heeft u het al geprobeerd?” “Ha nee, want als ik dat doe dan maak ik er misschien krassen op.” “Dat is geen probleem, mijnheer. Probeert u het toch maar eerst en als u daarna nog niet tevreden bent, dan zoeken we verder. Geen probleem. Ik noteer dat u gebeld heeft.” “Prima, ik noteer dat u dat geen probleem vindt.”

Ik geef toe, ik heb het niet écht uitgeprobeerd. Ik heb gewoon het mondstuk uit de verpakking gehaald, mijn buis erin gestoken en zo eens uitgetest hoe vast die er bleef insteken. Mijn vermoeden werd bevestigd. Eén hevige snok en het mondstuk viel eraf. Ik vertrouwde het hele zaakje niet. Ik wou min of meer eenzelfde mondstuk als degene die ik had en hier had ik zo’n prul vervangstuk waar ik niet tevreden mee was. Ik wou geen mondstuk zonder gaatje. Ik wou een mondstuk mét een gaatje! De dag nadien belde ik dan maar terug, lichtjes uit mijn element, want ik vreesde dat dit een héél gedoe teweeg zou brengen van retourneringen en facturaties. Toevallig had ik deze keer dezelfde vrouw aan de lijn als gisteren. Zo gauw ze mij herkende hoorde ik haar stem omschakelen naar het niveau “kloteklant”. “Het spijt me dat u nog steeds niet tevreden bent, mijnheer. Ik stel voor het gemak voor dat wij het bedrag voor u terugstorten als u belooft om het mondstuk niet te verkopen en het op een milieuvriendelijke wijze te vernietigen. Ondertussen zullen wij hier verder zoeken naar een alternatief.” Hier had ze me even bij de lurven. Dit had ik niet verwacht. Ik mag het spul dus houden en zij storten het geld terug? Wat leuk! Stiekem was ik ondertussen al op het plannetje gekomen om er eventueel zelf een gaatje in te boren. Dat moet toch te doen zijn? Maar dat wou ik niet doen als ik met een mondstuk zat dat mij werd aanbevolen als zijnde een goed alternatief voor degene die ik had. Zie hier nu het misdrijf waarover ik aan het nadenken ben: zou ik alsnog een gaatje boren in een mondstuk waarvan ik beloofd had om het milieuvriendelijk te vernietigen? Is zo’n gaatje boren niet het equivalent van “schade” toebrengen aan het mondstuk? Maar dan mag ik hem daarna wellicht niet meer mogen gebruiken? Mag ik dan geen beschadigde dingen gebruiken op eigen risico? Trouwens, in onze wegwerkmaatschappij wordt er vanuit de hoogste instanties op aangewezen om zoveel mogelijk dingen te hergebruiken en zo weinig mogelijk weg te smijten. Stel dat het ooit tot een rechtszaak komt, dan zou uiteindelijk het Hof van Cassatie mijn standpunt wellicht wel begrijpen. En zo niet, dan toch zéker het Europees Hof van Justitie? Zij behoren juist te kijken buiten de landsgrenzen heen. Ik ben dus redelijk zeker van mijn zaak maar toch… Is zo’n mondstuk deze hele mediacircus wel waard? Mijn anonimiteit zou verdwijnen. Ik zal het moeten gaan uitleggen bij Ter Zake en later CNN. België zal wederom het mikpunt van spot worden voor de wereld. “Belgians can’t suck without a hole” zal het artikel koppen. Ik voorzie het nu al. En dat terwijl ik gewoon maar een nieuw mondstukje zocht omdat ik nog zakken liggen heb voor mijn oude machine die het nog prima doet. Ach, misschien is het juist nodig dat iemand hier eens voor rechtstaat. Dat iemand zijn voet neerzet en zegt: “Zo ver en niet verder! Het moet gedaan zijn met dergelijke verspilling! Eén merk, één mondstuk! Of althans de aanhechting ervan toch. Dat elk merk zijn eigen zakken, mondstukken en machines maakt, geen probleem. Maar binnen één en hetzelfde merk moeten er standaarden zijn. Voor een machine die ik vandaag koop wil ik over twintig jaar nog steeds vervangstukken terugvinden!” In de zomermaanden heeft mijn werk een systeem waardoor we minder uren in de week moeten kloppen. Dat geeft mij tijd genoeg om eventjes een bijeenkomst van de G8 te organiseren. Ik moet dan wél zien dat ik op tijd wat chips, nootjes en drank kan inslagen daarvoor. Of zouden die liever kaas en salami hebben? Toch eventjes Googelen vooraleer ik eraan begin.