Truitje in het snuitje

Na 42 jaren weet ik het ondertussen wel. Onderzoek heeft het uitgewezen zeg maar. Kwalitatief marktonderzoek, evaluatieonderzoek, sociaalwetenschappelijk onderzoek, systeem-methodologisch onderzoek, psychologisch, empirisch & klinisch onderzoek, steekproeven, enquêtes, rondvragen, soulsearching, whatever… ’t Kwam allemaal tot hetzelfde resultaat. Stephen Hawking kan het helaas niet meer meemaken. Hij zou lichtjes blozend om de wangen en twee streepjes kwijl langs beide kanten van de voorste ondertanden in zijn spraakcomputer ingegeven hebben “Why the hell didn’t I think of that.” Maar ja, het is te laat. Hij had er maar vroeger aan moeten denken. De eerste prijs gaat steeds naar de eerste wetenschapper gaan die het fenomeen bestudeerd én gepubliceerd heeft. Zo gaat dat in de wetenschap. Vandaar de term “eerste prijs”. Je mag in je laboratorium zitten tot je een ons weegt, experimenteren tot de proefbuisbaby’s hun pensioen aangevraagd hebben, testgegevens noteren tot excel zoiets heeft van “syntax the bloody hell error dude!” Voor zolang je niets openbaar maakt blijft je naam enkel voortleven bij al degenen die je gekwetst hebt. Een wetenschapper moet een grote mond durven op te zetten tegenover de wereld. Ontdekkingen moeten gehoor krijgen. Een wetenschapper zonder uitstraling is een artiest zonder verstand van zaken. Wie kent uiteindelijk Willem van Poitiers nog? Geen onbekend zanger in zijn tijd, maar omdat hij nooit één riedeltje op CD gezet heeft, kent niemand hem nog. Zijn handtekeningen staan in bomen gekerfd die nu als TV-meubel dienen. Die fout ga ik niet maken. Het zijn andere tijden natuurlijk. Een briljante ontdekking is snel verspreid via het sociale mediacircus. Toen de Kepler ruimtetelescoop van NASA tweehonderdnegentien nieuwe planeten ontdekt had waarvan er 10 eventueel leven zouden kunnen onderhouden, nou… Je had het moeten volgen. Dat nieuws ging me daar een vaart! De volgende dag stond het al in de New York Times, de Guardian, de Washington Post en de Dag Allemaal. Onvoorstelbaar wat vandaag de dag allemaal mogelijk is. Onze grootouders, zij die nog leven, toch als je van mijn generatie bent, hebben nog tijden meegemaakt waarin het vier jaren duurde alvorens de naaktfoto’s van Marilyn Monroe voor het eerst gepubliceerd werden. Vier jaren… Een schilder met een beetje fantasie had het rapper gekund. Tegenwoordig staan de bekende schoonheden al naakt op de cover van ’s lands beste tijdschriften nog voor ze ook maar één verzoek gekregen hebben van een fotograaf. Dat is pas vooruitgang mensen. Heerlijk!

Ach en wee… Dit artikel heeft niet als doel om de snelheid van mediagenieke vormen van ’s werelds mooiste vrouwen in vraag te stellen. Hoewel ze altijd op de achtergrond door blijven sluimeren natuurlijk. Ik haalde het maar aan om een sfeer van machteloosheid te besmeulen die elke degelijke wetenschapper ondervindt als hij zijn ontdekking openbaar wil maken. De vraag heb ik me effectief wel gesteld: “Zou het niet beter zijn als ik één of meerdere van mijn facebookvriendinnen in een nat onderhemd vooraan de praalwagen, in dit geval artikel, zet?” Ik kan meteen verschillende meiden voor de geest halen bij wie ik het succes dat daaruit zal voortkomen méér dan gun. Maar je weet hoe dat gaat: je brengt ze aan de top en eens ze er geraakt zijn, laten ze je vallen waar je bijstaat. Nee, laat ze maar rustig in het ongewisse van mijn vriendenboek verder stralen als kleine prachtige lichtbakens in de schaduw. De weg terug naar huis is zoveel leuker als je weet dat er wat lekkers te vinden is.

In de aanzet van dit artikel sprak ik over tweeënveertig jaren, maar uiteindelijk is het allengs zo lang nog niet geleden dat ik de noodzaak voelde om iets aan de huidige maatschappelijke situatie te veranderen. Wanneer was het juist? Was Trump toen al president van de Verenigde Staten? Misschien net of net niet. Het moet in die woelige periode geweest zijn waarop de wereld een schok voelde maar nog niet wist waar die vandaan kwam. Het was dus niet de uitslag van de presidentsverkiezing. Het zou best kunnen dat er enige associatie gepaard ging, maar dat besluit laat ik over aan de geschiedenisschrijvers van de toekomst. Voor wat mijn eigen bewuste kennis aangaat schept die periode hooguit een kader van waaruit de ontdekking gedaan kon worden. Een méér dan rijkelijk bemeste voedingsbodem zeg maar. Een mens, althans, iemand die de zaken niet zomaar wilt nemen zoals ze hem gegeven worden, begint daarbij na te denken. Wat heeft de wereld nu op dit moment nodig? Wat kan ertoe bijdragen dat wij als micro-organismen van het heelal wederom geloof gaan hechten in vooruitgang? Het hoeft niets groots te zijn. Meer zelfs, het mag niets groots zijn. Wil je mondiaal gaan met je ontdekking dan moet je het klein houden. Dat hebben de Monchichi’s mij geleerd in de jaren tachtig. Zo zie je maar dat élk van de tweeënveertig jaren geteld heeft als voorbereiding voor de grote ontdekking.

De dag waarop mijn voedingsbodem bevrucht werd met het zaadje der briljantie was een stressvolle dag. Waar de stress juist vandaan kwam weet ik niet meer. Het moet aan externe prikkels gelegen hebben want intern ben ik meestal zo prikkeloos als de zang van een priester tijdens een doordeweekse eucharistieviering met twee man en een paardenkop in de zaal. Althans, als ik mijn medicatie genomen heb. Het was ochtend op een werkdag. Al twintig jaren zien die er ongeveer hetzelfde uit: wekker gaat af, ogen gaan open, focussen op de drie W’s: 1) waar ik ben 2) welke dag is het 3) wat wordt er van mij verwacht, de sprong uit het bed, een paar danspasjes en zien dat ik voor de realiteit mij te pakken heeft op mijn fiets zit en trap voor het vaderland. Ergens tussen de danspasjes en de realiteit had ik begrepen dat het buiten best koud was voor de tijd van het jaar. Het was december en als een man die met zijn tijd mee gaat verwacht ik niet minder dan vijftien graden in die maand. Maar ziet, mijn digitale weerstation gaf tien graden aan. Ik had mijn zomerjas al aan toen ik tot deze vaststelling kwam. Tien graden… Te warm voor een winterjas, te koud voor een zomerjas. Ik zag nog een oude trui liggen in het rechtse gedeelte van mijn perifeer veld. Gehaast om niets van de pret te missen die mijn deel zou zijn op de werkvloer deed ik snel mijn jas uit en nam de trui ter hand. Ik deed hem aan. Het was pas toen ik mijn eerste trapjes op de fiets deed dat het mij te binnen schoot: “Heb ik nu wérkelijk mijn trui aangedaan terwijl ik mijn klak nog op had? Dat kan toch niet!”

De eerste fase is altijd ongeloof. Dat is zowel bij rouw als perfectie. Walt Disney geloofde ook eerst niet dat hij Sneeuwwitje zou kunnen maken. Het is hem toch gelukt. Een ganse werkdag bleef die gedachte in mijn hoofd spoken: “Kan het? Mag het?”en “Is het voor herhaling vatbaar?”. Dat laatste is belangrijk bij elk degelijk wetenschappelijk onderzoek. Iedereen kan iets voorhebben waarvan ie denkt: “Nou breekt mijn klomp!” Als je het voorval vervolgens wilt herhalen terwijl je vol vuur de situatie probeert terug te halen bij familieleden of vrienden blijkt die klomp uit een soort onverwoestbaar hout gesneden te zijn met een diamantslijper. Gêne is mijn middelnaam dus mij zullen ze niet meer liggen hebben. Ik ben allang geen ezel meer. Op het gebied van schaamte ben ik een goudvis met een herinneringsspan van één seconde mààr één die dus wel mooi steno heeft leren schrijven. De volgende dag probeerde ik het opnieuw. Het resultaat was bevredigend. We zijn nu een paar maanden verder. De lente heeft al een flinke schoonmaak gedaan in de natuur met het zaad van menig mannetjesdier en de zomer komt af en toe al eens piepen om te zien of het nog zin heeft om te stralen. Mijn onderzoek heeft met succes de wintertijd doorstaan. Ik kan nu met zeker- en fierheid de resultaten openbaar maken. Opgesomd in mate van belangrijkheid…

  1. Het is mogelijk om een trui aan te doen terwijl je een klak op je hoofd draagt.
  2. Het weer buiten heeft hierop geen enkel significante invloed, de stof van de trui wel. Wol gaat gemakkelijker dan maliënkolder.
  3. Techniek is alles: men moet er voor zorgen dat éérst de klep van de klak doorheen het hoofdgat van de trui gaat alvorens de rest van kop. De armen en het lijf gaan als vanzelf (lees: alsof je geen klak op gehad hebt).

Niets van dit artikel mag zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur gebruikt, gekopieerd of geschetst worden in klaslokalen, café’s, gerechtshoven, toneelverenigingen, licht zedelijke gezelschapshuizen of turnkringen.

Advertenties

Dymensies

“Papa, papa…”
“Ja kleine meid, wat is er?”
“Wat is die meneer daar aan het doen?”
“Welke meneer bedoel je?”
“Die daar in de verte, die recht voor ons op de fiets die zo gek rijdt.”
“Die met zijn lang haar daar? Ha, dat mijn schat, dat noemen stoempen in de volksmond. Of sleuren, zo wordt dat ook genoemd. Een echt algemeen beschaafd Nederlands woord kan ik er niet meteen voor bedenken.”
“Dat is gek…”
“Nou nee, niet echt. Het is iets wat beschaafde mensen eigenlijk niet meer doen, dus dan hoeft het je niet te verbazen dat er geen woord voor bestaat.”
“Zijn wij dan beschaafd papa?”
“Zeg nu zelf… Zie je ons zo gek doen op onze fiets?”
“Nou, ik heb jou toch ooit al wel eens zo gek zien doen hoor.”
“Ja okay, je hebt gelijk. Maar dat was een uitzondering. Ik had toen de dag ervoor vergeten mijn fiets in het stopcontact te steken. Dat mag je dus nooit doen. Anders zie je er zo uit gelijk die meneer daar.”
“Ik vind het wel grappig… Hij ziet er nét uit alsof hij héél hard aan het fietsen is, maar eigenlijk geraakt hij niet vooruit.”
“Hij zou beter werk gaan zoeken.”
“Hoe bedoel je papa?”
“Wel ja, zo’n oude fiets… Dat is toch niet meer van deze tijd. Iedereen rijdt tegenwoordig toch met elektrische fietsen of fietsen die speciaal ontworpen zijn om dat stoempen niet meer te doen. Het feit dat hij daar niet mee rijdt zegt mij dat hij geen geld heeft en dus ook geen werk.”
“Zou je denken?”
“Jazeker… En als je naar zijn uiterlijk ziet, dan zie je zo waarom. Een man met lang haar kan toch nooit aan werk geraken!”
“Maar Jezus had toch ook lang haar?”
“En heb je ooit één verhaal van hem gehoord waarin hij aan het werken was? Uitleggen ja, dat kon hij goed. Voor de rest ging die met zijn ezel van stad tot stad om te gaan schooien achter eten. Hij had zelfs mensen die hem daarbij moesten helpen. Nee, aan hem moet je ook geen voorbeeld nemen.”
“Aan jou wel hé papa?”
“Jazeker…”
“Werk jij dan zo hard op kantoor?”
“Wat dacht je? Ik zorg ervoor dat mensen kunnen werken en dat is misschien nog zwaarder dan het werken zelf. Zonder mij hebben zij geen werk en geen geld.”
“Werkt die mijnheer daar dan bij jou?”
“Nee gij. Hoe kom je daarbij. Ik ga toch geen schooier in dienst nemen. Die mensen hebben het veel te druk met niets doen. Dat lange haar is er niet vanzelf gekomen hoor. Heelder dagen buiten zitten kijken naar hoe het gras groeit en de bomen hun bladeren verliezen. Met zo iemand kun je niets aanvangen.”
“Nou dat lijkt me anders wel leuk zo… Een hele dag niets doen en kijken naar het gras en de bomen.”
“Haal dat maar uit je hoofd, kleine meid. In het leven moet je hard werken, sporten, bewegen, nadenken en creatief zijn. Anders kan je het wel vergeten.”
“Die mijnheer is anders percies wel een stuk harder aan het bewegen dan wij hoor papa. Zie hem doen zeg.”
“Tsja, wat wil je… Fietsen zonder batterij. Hoe is het mogelijk?”
“Weet je papa… Ik heb op school geleerd hoe zo’n batterijen gemaakt worden. Dat is best moeilijk met een hoop giftige producten erin.”
“Hebben ze jou dat echt op school geleerd?”
“Jazeker. En als na een paar jaren zijn die kapot en dan moet je er andere kopen en die oude worden dan gedesikleert waarvoor ze een héél fabriek nodig hebben.”
“Gerecycleerd zal je bedoelen.”
“Nou… Misschien, dat weet ik zo goed niet meer. Maar ik weet wel nog dat de juffrouw had gezegd dat het een hoop moeite kost om voldoende elektriciteit te krijgen voor al onze apparaten, dus hoe minder we gebruiken hoe beter en dat het rijden op batterijen dus eigenlijk niet zo milieuvriendelijk is omdat ze zo vies gemaakt worden.”
“Die juffrouw van jou kan percies al meegaan met die kerel daar. Wat is me dat toch allemaal voor onzin dat ze je daar op school vertellen.”
“Ze zei ook dat we beter allemaal op een gewone fiets zouden rijden omdat we daardoor meer onze spieren moeten gebruiken en die worden daar sterker door. En voor wagens stelt ze voor dat iedereen beter op waterstof zou rijden.”
“Ik zal dringend eens een hartig woordje moeten gaan klappen met die juffrouw van jou geloof ik. Je moet niet alles geloven wat ze je daar vertellen op school hoor meid. Eerst en vooral: wij zijn goed bezig! Wij maken de elektriciteit niet, wij gebruiken ze alleen maar. Wij hebben die batterijen niet gemaakt, iemand anders heeft dat gedaan. Ze lagen in de winkel en wij hebben ze gekocht met het geld dat wij eerlijk verdiend hebben. Als wij ze niet gekocht hebben, dan had iemand anders het gedaan; iemand die misschien niet zo eerlijk aan zijn geld geraakt is. Wij maken gewoon gebruik van datgene wat er al is. Als er iets niet milieuvriendelijk zou gemaakt worden, dan moet ze de makers ervan gaan bekritiseren, ons niet. Wij leven in harmonie met het milieu. Maken wij iets vuil door hier te fietsen? Nee toch. Meer zelfs, ik geloof dat die kerel daar voor ons méér zuurstof uit de lucht haalt dan wij, met zijn gestoemp. Wie is er dan het milieuvriendelijkst bezig hé?”
“Shsht papa, we gaan hem zo inhalen. Misschien hoort hij ons.”
“Dat is dan maar goed ook. De milieuvervuiler! Laat jij hem weten dat we eraan komen?”

Wat nu weer? Gast! Ik rijd hier langs de rechterkant van de baan. Ge hebt nog zeker twee meter plaats naast mij. Waarom zit gij daar te bellen? Ach wel, okay… ’t Is een vader met zijn dochtertje. En ze hebben er plezier in merk ik. Waar is de tijd… Anders niet echt een goed voorbeeld dat die gast aan zijn dochter geeft. Een beetje respect voor andere weggebruikers tonen mag nu al beginnen. Ze is er oud genoeg voor. Ik zou blij zijn als ik thuis was. Waarom heb ik het haar ook verteld? Ik had moeten zwijgen. Ik en mijn eerlijkheid. Ik zou beter wat meer zwijgen. Maar ja, ik weet het wel.. Ze heeft graag als ik eens langskom. Het breekt de sleur een beetje. Maar ze moet nu ook weer niet gaan denken dat ik élke snipperdag naar haar ga rijden! ’t Is al ver genoeg. Moest zij haar dagen wat méér vullen met vanalles en nog wat, dan zou ik niet iedere keer moeten afkomen. Misschien doet ze het er daarom ook voor. Zucht… Ik zie haar nog ertoe in staat. Onbewust dan, want het toegeven zal ze nooit doen. Wie weet hoe ik zal zijn op die leeftijd. Ik zal alleszins geen kinderen hebben die mij komen opzoeken. En het is te hopen dat ik nooit zo afhankelijk van iedereen zal worden als zij. Dat zou ik verschrikkelijk vinden: het verschil niet meer kunnen zien tussen een aardbei en een koolrabi en niet zelf meer op mijn benen kunnen staan. Dat moet vreselijk zijn. Gelukkig maakt ze het zichzelf wijs dat het allemaal niet zo is, maar toch… In welke mate is dat een schijn die ze hooghoudt als ik er ben. ’t Is niet schoon om te zeggen maar eigenlijk heeft ze nu eindelijk wat ze altijd al heeft willen hebben: personeel: mensen die kuisen, strijken, koken, afwassen,… Allemaal dingen waar ze een broertje dood aan had en dus zelden deed. Het liefste deed ze geen klop: alleen maar lezen in de zetel. Je zou kunnen stellen dat haar lichaam zich (al dan niet bewust) heeft aangepast aan haar wil. Maar zou ze nu niet al haar fysische ongemakken terug willen geven voor de praktische ongemakken van vroeger? Ik vraag het mij af.

Ex

“En wat denk je ervan?” vroeg ze mij met een licht wantrouwen in haar stem. Het was de tweede keer dat ik haar professioneel tegen kwam. Ze kende mij dus nog niet goed. Ze wist niet dat alvorens ik een mening heb met verregaande consequentie, ik daar eerst over moet nadenken tot ik een ons weeg. Mensenkennis en een zeker aanvoelen van wat er leeft in de persoon waar ze mee praat is niet één van haar sterkste kanten. Dat had ik al van bij mijn eerste aanvaring met haar in het schuitje. Het is een echte professional, zo één van “Hallo, welkom, kijk eens aan, daar ook nog iets, welnu, klaar, kaartje voor als je mij nodig hebt, saluut.” Er zal wel cliënteel voor te vinden zijn, vermoed ik. Voor elk wat wils. Ikzelf heb liever nog wat nazorg als ik eerlijk moet zijn. Een warme schoot waar ik mijn met vragen gevuld hoofd even op kan laten rusten. Ze hoeft er zelfs geen lieve woordjes bij te fluisteren. Gewoon in stilte, terwijl ze eventueel met haar vingers wat door mijn haren streelt. Dat brengt mij tot rust. Je hebt ze niet te kiezen natuurlijk. Je stuurt een email of je belt naar het kantoor met de melding dat je de foto’s hebt gezien en dat het je op het eerst zicht wel wat lijkt. Vervolgens spreek je een moment af waarop je haar eens in het echt zou mogen zien. Dat moet altijd onder begeleiding van een escorte gebeuren natuurlijk. Een soort van chaperon die je wijst op de plekjes waar je moet kijken en weerhoudt te kijken naar die plekjes waar je wilt kijken. Het is een absurd gegeven. Hier, van deze ontmoeting, van deze beslissing, hangt een groot stuk van jouw toekomstige toekomst van af. Afhankelijk van wat je nu zegt zal de rest van je leven bepaald worden. In feite zou dit een moment moeten zijn waarbij je alle tijd van de wereld zou moeten krijgen om alleen met haar door te brengen. Een uurtje, een avond, een dag, een week… Maakt niet uit. Laat de beslissing op een natuurlijke wijze komen. Niet geforceerd. Wat weet ik nou op dit moment van haar af? Ik ken haar alleen van ziens. Ze heeft een goede uitstraling, dat wel. En ik heb een paar plekjes gezien waar ik mijzelf best tot rust kan zien komen. Maar ik weet niet in hoeverre dit een momentopname is. Momenteel loop ik er ook fris geschoren bij, maar morgenvroeg krijg je een héél ander beeld van mij. Laat mij dus liever alleen met haar voor zolang ik het nodig heb. Enkel op die manier zal ik je een goudeerlijk antwoord kunnen geven. Wat heb je het liefst: een snel kant-en-klaar antwoord waar de onzekerheid van afdruipt als het hars van een lenteboom waarin je met een mes hebt gekerfd, of een goed doordacht afgewogen antwoord dat weliswaar nog wat twijfel in zich heeft maar de bal vormt van waarop de fundering van een wolkenkrabber steunt. Het eerste wellicht, want jouw tijd is geld. Zucht… Welnu dan. Met de blik op oneindig, het verstand op vriespunt, de sluitspieren gespannen, de vingers gekruist in mijn jaszakken en de knieën op Alzheimer: “Het zegt me wel iets. Ik ben geïnteresseert.”

Met dat antwoord brak ik een atoompje in twee zoals een eitje op de rand van een koekenpan. Het gevolg van deze woorden is niet anders te omschrijven dan als een extreem vertraagd afgespeelde kernexplosie in het centrum van mijn bestaan. Indien het zo was dat er toevallig op dat moment enig buitenaards leven naar de aarde aan het kijken was met het idee van “Wat een leuke plek! Laat ons daar even gaan kijken of we de (vrij vertaald: luitjes) niet kunnen gebruiken om de (vrij vertaald: brandstof) van ons (vrij vertaald: sterrenschip) aan te scheppen,” dan zouden die bij het zien van mijn paddenstoel metéén doorgetrokken zijn naar een andere planeet met de woorden: (vrij vertaald: Opsodemieteren!) Die woorden… Ze zijn zo gemakkelijk gezegd. En vanwege de spanning heb ik er zelfs een DT-fout bij gemaakt. Geïnteresseerd moet natuurlijk met een “d” zijn vanachter, niet met een “t”. Maar wat maakt een T of een D uit als het DNA uit elkaar gereten wordt. De bouwstoffen van mijn leven waar ik met veel geduld en vallen en opstaan hooguit een vogelkooitje heb kunnen maken. De dode grond die ik met de shit van mijn leven heb kunnen omvormen naar een vruchtbaar stukje land waar met enige fierheid toch al tenminste wat onkruid groeit. Het water dat ik via een vernuft systeem zelf heb ontgonnen vanuit de put waar mijn leven begon. Alles weg… Hetzij verwoest of verdampt, hetzij zo ontzettend ver weg geblazen door de schokgolf dat het een generatie zal kosten om weer terug te verzamelen. Rondom mij heerst nu wanorde op een serene vlakte.

Vanaf het moment van de splitsing tot bij de verwoesting verliep alles volgens de wetten van de administratie. Ik heb mij gehouden aan de regels van de goede orde. Alvorens ik bij haar naar binnen ging, heb ik een contract getekend waarmee ik haar voogd beloofde om goed zorg voor haar te dragen. Ik zou haar niet beschadigen of doorverhuren aan vrienden of vriendinnen (want ze waren daar ruimdenkend in). Daarnaast heb ik afgesproken om haar af en toe een flinke beurt geven waarbij alle hoeken van de kamer niet gespaard blijven. Wat wil ze nog meer. In ruil daarvoor wil ik rust en een plek om in thuis te komen. Een veilige haven waar mijn haar mag groeien volgens de wetten der natuur en niet anders. Dat is toch niet te veel gevraagd.

Nu de administratie achter de rug is, komen er andere factoren naar boven. Gevoelens… Nee toch? Jawel. Godsallemachtige gevoelens. Vóór de knal werd ik nog beschermd door een stevig patroon van vaste routines. Ze vormden samen de dranghekken van mijn weg naar het gaatje. Maar deze hekken tolereert zij niet. Ze wilt als koningin naast mij op straat lopen en handjes schudden met het gepeupel dat ik liever kwijt dan rijk ben. “Maar het zijn toch jouw onderdanen,” zegt ze dan. Tsja… Ik durf haar niet zeggen dat het deze “onderdanen” zijn die mij in mijn levensvoorziening moeten voorzien. Ze beschermen mij maar zoeken ook het risico op. Ze voeden mij maar laten mij ook diëten. Ze amuseren mij maar maken mijn ogen ook nat. Ze helpen mij maar maken mij ook hulpeloos. Die tweestrijd kan ik missen. Ik loop liever veilig alleen op het pad met de gele stenen. Met haar erbij kan dat dus niet meer. Kon ze mij nu maar gerust stellen. Met een enkel gebaar mijn vertrouwen versterken dat mijn hand niet besmet zal worden met een serieuze valling als ik toenadering zoek met de meute langs de kant van de weg.

Toch heeft de explosie ook meerwaarde gebracht. Waar ik vroeger moeite moest doen om een zekere geveinsde netheid te krijgen, moet ik nu moeite doen om de reële netheid te houden. Zij heeft geen muizenissen. Althans, toch bij mijn weten niet. Zo goed ken ik haar uiteindelijk nog niet. Misschien moeten de beesten nog boven komen. Mijn afwas wordt gemoedelijk door haar gedaan. Ik vind het niet erg om zelf mijn afwas te doen, maar nu zij er toch is, kan ze het evengoed doen ook. Strijken zal ik zelf wel doen. Dat vind ik niet erg. Met een audioboekje in mijn oor, sla ik mij de ganse strijk door. Cultureel verantwoord dan nog wel. En over afwas gesproken, koken is ook helemaal anders geworden met haar. Ik kook voortaan niet meer op gas, maar op glas. Eerst had ik nog zoiets als “Help! Wat ben ik zonder gas?” Maar eerlijk gezegd, nu ik het al een paar keren gedaan heb valt het reuze mee. Ik weet perfect welk standje ik haar moet geven zodat ze zacht pruttelt tot volledige gaarheid, of sist van de heetheid tot het tijd is om het wat kalmer aan te doen. En betrouwbaar dat ze is! Daar heb je geen gedacht van. Dat is wat anders dan het oude gasfornuis dat ik vroeger had. De uren dat ik daar niet gebukt heb staan kijken naar de felheid van haar vlammetje om ze op perfect niveau te krijgen, daar kan je een boek mee schrijven. Een mens wordt wat ouder, dus dan begint hij ook na te denken over zijn bukgedrag.

Het verdict van de keuze is nog niet gevallen.

Kringloopje

De innerlijk mooiste man ter wereld was bezig met wakker worden. Hij dacht aan iets waardoor zijn mondhoeken zachtjes naar zijn oren getrokken werden. Zal ik vandaag mijn sokken eens wassen? Nee, dat is niet nodig. Dat kan ik morgen nog doen. Ik heb nog een handvol sokballetjes in mijn schuif liggen. Vandaag heb ik meer zin in… in… Ja wat eigenlijk? Washandjes wassen? Nee, niet echt. Die van gisteren kan nog wel een dagje mee. Een lampje vervangen misschien? Mja, dat zou ik kunnen doen. Ik loop al een tijdje op de tast naar mijn schoenen te zoeken in de gang. Twee dagen geleden kwam het hem voor dat hij per abuis twee verschillende schoenen had aangetrokken toen hij naar het werk ging. Collega’s vonden het wel grappig, maar hijzelf liep er toch niet gemakkelijk mee. Langs de andere kant, wat zou het? Zo een kleine vergissing kan de sleur al eens breken. En het gebeurt ook al niet zo gauw meer dat mensen hem grappig vinden. Innerlijk mooi, dat wel, maar grappig? Nee, dat was geleden van toen hij nog met pampers rondliep. Eens die fase gedaan was werd hij uitsluitend nog geroemd vanwege zijn karakteriologische eigenschappen. Gerenommeerde vrouwenbladen boden hem veel geld aan om zijn mening te geven over tal van hedendaagse issues waarmee hij dan harten smolt als spekvet in een hete braadpan. Of zou ik zo meteen een banaantje pellen? Dat is niet zoveel werk. Als ik dat doe dan heb ik nog ruim tijd over om alsnog die lamp te vervangen. Een goed plan! Hij sloeg de deken van zich weg en plantte zijn voeten in de sloffen die naast zijn bed stonden. Waar lagen die bananen ook al weer? Ik heb ze volgens mij eergisteren nog op de keukenkast zien liggen. Hij nam zijn kamerjas en bond die stevig rond zijn middel. Even kijken of het klopt. Inderdaad, daar lagen ze. Trots in een tros gebogen met eerbied en respect. Een banaan kent zijn plaats in de maatschappij. Hij plukte er één van en rook eventjes aan het steeltje. Geur is de helft van al het eten. Met vingers die wel eens een flosdraad langsheen de tand des tijds schuren nam hij het steeltje stevig beet en brak de schil. Gelukkig! Hij haatte het als de schil niet breekt. Je krijgt dan zo’n wak plat bananenbreigoedje als begin van de lekkernij en dat vind ie niet lekker. En je moet dan ook alweer een mes vuilmaken om een sneetje onderaan het steeltje te maken. En als er nu eens één ding écht handig is aan een banaantje, dan is dat wel dat je het kunt opeten zonder iets vuil te maken of te moeten wassen. Van de zomer nog… Hij was op het veld aan het werken gelijk een boer met wraakzucht. In zijn rugzak had hij een banaan gestoken om tussen twee hectaren door toch iets naar binnen te kunnen steken dat de maag enigszins kan vullen. Welnu, zijn handen waren uiteraard niet proper of wat had je gedacht. Het vuil der moeder aarde zat hem onder elke nagel en in elke plooi en porie van zijn handen. Toch stopte hij, wreef met een oude zakdoek het zweet zijnes aanschijns van het gezicht, ging naar zijn rugzak en haalde de banaan boven. Daar stond hij dan. De innerlijk mooiste man ter wereld die niet alleen een prachtig karakter heeft maar ook hygiënisch een bijzonder scherpe moraal hanteert, brak daar de banaan met zijn vuile handen omdat hij wist dat het vruchtvlees ervan niet aangeraakt hoeft te worden om ervan te eten. Tenzij de schil niet wil breken natuurlijk, maar je kunt niet altijd van een worst-case-scenario uitgaan. Hij at er smakelijk van zonder te smakken of met open mond te kauwen. Jawel, dat kan ook. Bij het laatste hapje, of stukje zo u wilt, kneep hij met duim en wijsvinger in het, zal ik het kontje noemen, van de banaan. Daarmee gaf hij teken dat ook dit laatste restje uit de schil mocht komen. Ziezo… Hapje klaar. Het enige dat hij nu nog in handen had was de slappe schil van wat ooit een fiere trotse banaan was. Hij schaamde zich hierover een beetje doch maakte van zijn hart een steen, ging naar de vuilnisemmer, trapte op het pedaal en wierp de schil erin. Het ga je goed mijn vriend. Wat hebben we genoten van de tijd die we samen hebben doorgebracht. Ik weet nog goed de eerste keer dat ik je zag hangen aan dat haakje van mijn favoriete groentekraam. Het was smaakvol op het eerste gezicht. Onze wegen scheiden nu, maar ik zal je nooit vergeten. Hij vermande zich door naar de orde van de dag terug te keren. Wat stond er nu ook al weer vervolgens op het programma? Verhip, ik ben het kwijt. Hij keek eens rond om te zien of hij daarvan geen memorieboest kon krijgen. Hij zag zijn keuken, proper en netjes zoals hij het gewend is. Een lekkere half ontblootte vrouw keek hem verleidelijk in de ogen. Dat was een geschenk dat een vriend hem vorig jaar eens gegeven had. De knaap plaatst rolluiken en zonnepanelen voor zijn beroep in een familiezaak. Op één of andere manier zijn ze ooit tot de traditie gekomen om elk jaar met de jaarwisseling een kalender uit te geven met bijzonder lekkere halfnaakte vrouwen die ze als relatiegeschenk aan hun beste klanten geven. Hij was zelf geen klant van hem maar die vriend moest de hunkering in zijn ogen gezien hebben toen hij het verhaal vertelde. Het jaar daarop kreeg hij zo’n kalender cadeau. Wat bij innerlijk minder mooie mannen misschien in hun garage hangt, komt bij hem in de keuken te hangen. Een schoenmaker hoort bij zijn leest zoals een lekkere meid bij een bordje gerookte zalm hoort, versiert met wat citroenpartjes, vers gehakte peterselie en even zo vers gemalen peper. Genoeg om de vingers en duimen af te likken tot aan de oksel en weer terug. Dat deed bij hem een lampje branden. Ik ging die van de gang nog vervangen! In een oude schoendoos bovenop het hoogste kastje van zijn keuken bewaarde hij zijn beste lampen. Slechte lampen had hij niet. Die gingen meteen terug naar de supermarkt waar tegenwoordig bakjes staan waar je ze in kunt deponeren voor recycling. Hij nam een lamp van de juiste dikte en slofte daarmee naar de gang. In de gang had hij een probleem. Hoewel hij de verlichting in handen had, zag hij niet veel. Het was er behoorlijk donker. Dat kwam natuurlijk omdat de lamp kapot was. Vertwijfeld bleef hij staan. De wenkbrauwen lagen in een frons. Het beeld van de gerookte zalm en de oksel kwam weer naar boven. Dat bracht hem nogmaals op een idee. Hij opende de gordijnen van zijn gang en liet het daglicht naar binnen. Hoe briljant was dat, vond hij. Dat ik daar niet eerder op gedacht heb. Hier hebben we natuurlijk licht van buiten, gewoon gratis. En ik lig hier te knoeien met mijn lampje van niets. Wat stom van me. Hij ging terug naar de keuken en plaatste de lamp terug in de oude schoendoos. Op die manier heb ik toch maar mooi weer eventjes de wereld gered van nog meer afval. Die lamp kan ik later nog wel gebruiken als het donker is. Voorlopig dient dat tot niets. Daarmee zat zijn vaste planning voor de dag er alweer op. En het was nog niet eens zeven uur dertig. Wat valt er voor de rest zo nog allemaal te doen? Sokken of washandjes wassen is out of the question. Dat had hij reeds eerder die dag besloten. Maar wat nu? Had hij niet nog ergens een nagel die geknipt moest worden? Even kijken… Nee, daar is alles in orde. Hier ook. Hij ging zitten en ontdeed zich van zijn linker slof. Nope, ook hier dik okay. Zijn linkervoet stak hij terug diep in de slof en hij gaf zijn rechtervoet een check-up. Ja, tuurlijk… De laatste voet uiteraard. Je zult het altijd zien. Daar, die nagel van de “ringteen”, die moest hij nog knippen. Dat was er vorige keer van tussenuit geschoten. Vier dagen geleden was hij alle nagels in willekeurige volgorde aan het knippen terwijl hij naar TV keek. Alles ging goed tot hij de wenkbrauwen van Brooke Shields in beeld kreeg. De rest van de avond leek wel in een waas te verlopen. Dronken van schoonheid moet hij uiteindelijk toch in bed beland zijn geweest want daar werd hij wakker met zijn knuffeltje Huggie naast zijn hoofdkussen. Vreemd… Die knuffel ligt anders gewoon altijd bij hem in de zetel, niet in zijn bed. Hij had altijd schrik dat hij in zijn onbewust slaapwroeten het beestje uit zijn bed zou duwen en dat kon hij niet op zijn geweten hebben. Een nagelknippertje is in zijn salon nooit ver te vinden. Noem het traditie. Hij nam het en knipte behendig de achtergebleven nagel. Niemand kon hem nu nog verwijten van een warhoofd te zijn. Zijn hoofd was weer vrij voor de volgende klus. Hij dacht terug aan de prachtige wenkbrauwen en viel met de mondhoeken naar zijn oren getrokken in een meditatiestaat die duurde tot hij gewekt werd door het grommen van zijn maag.

Spel van wat Was

Als je de vergelijking maakt vallen de films van Quinten Tarantino erbij in het niets. Het brute en rauwe geweld van een door intriges geëngageerd script dat doorheen het programma loopt als een thriller van Stephen King geschreven door Jacky Het Rippertje is volgens mij ook niet te filmen. Waar onze Quinten liters bloed voor nodig heeft en een woordenboekje aan scheldwoorden om toch maar een zekere spanning in het verhaal te brengen, wordt bij deze gebeurtenis via een soort natuurlijke flow, de gang van zaken zeg maar, de suspense opgevoerd. Het enige wat misschien als vergelijking kan dienen om deze sfeer te omschrijven is het moment van een bevalling. De losgeslagen tocht die een vrouw en haar man aflegt vanaf de eerste wee waarbij ze alle twee beseffen: “Wij gaan hier dadelijk wat meemaken,” tot de laatste floep die nodig is om de baby gemoedelijk uit haar lichaam te laten glijden is er één die cinematopisch gezien gevoelsmatig ook niet over te brengen is. Ik heb alleszins geen enkele blockbuster gezien of louter van over horen spreken die hierover gaat. Het zou nochtans schoon zijn moest iemand door gebruik te maken van de juiste filmtechnieken met respect voor de realiteit de gevoelens van deze gebeurtenis op accurate wijze overbrengen op een doordeweeks bioskooppubliek van verliefde koppeltjes, krakende voorvechters van de gebakken aardappel en cultuur minnende mensen die zichzelf anders vervelen. En toch is het de poging meer dan waard. Het kan een opstapje zijn om het grotere ultieme werk aan te gaan. Pluto werd ook niet metéén als doel gezien voor de ruimtevaart. Men probeerde eerst al eens van de grond te geraken, dan tot bij een wolk te komen, vervolgens over een wolk, voorbij de dampkring, de maan, Mars, Jupiter, Saturnus en zo zijn we uiteindelijk toch nog tot Pluto geraakt.

Een uitdaging zal het zeker worden. Hoe film je, zeg het mij indien er toch ideeën zouden ontstaan bij mijn lezerspubliek, op zo’n wijze dat het de hartverscheurende dramatiek van de realiteit recht doet, een situatie waarbij je tientallen individuele persoonlijkheden in één grote half verlichte ruimte propt, niet wetende wat er gaat gebeuren. Welke achtergrondmuziek speel je daarbij? En hoe luid moet deze gemixt worden om het gruwelijke gekrijs van stemmen van de spelers op zo’n manier te “bedekken” dat ze nog steeds te horen zijn, maar niet zo hard dat het bloed in de aderen van het publiek stolt. Vervolgens zie je de paniek in hun ogen als de glazen deur achter hen gesloten wordt. Eén van hen roept nog tevergeefs om zijn favoriete dekentje. Een ander verliest door de angst zijn verstand en begint luidkeels te lachen. Een lach die als droog ijs weerklinkt op de ijzeren wanden van hun cel. De rest rilt in stilte, wachtend op wat er te gebeuren staat.

De knop wordt ingedrukt. Duidelijk horen we hoe op de achtergrond hoe de kraan wordt open gedraaid.

Als dit moment goed ingeleid wordt dan kan het bijna niet anders of het publiek, wij dus, zitten vanaf nu met open monden naar onze beeldbuis te kijken. Er gebeurt zoveel tegelijkertijd dat we haast niet weten waar eerst naar te kijken. De snack die we onszelf bereid hebben om tijdens de voorstelling te happen ligt onaangetast naast ons op de grond. Een lawine van kousen, hemden, T-shirts, ondergoed, pyjama’s- en trainingsbroeken borrelt donderend door elkaar. Het water, dat met een frisgeurend sopje gemengd wordt vooraleer het de kledingstukken bereikt, maakt ze allen van vochtig tot nat tot doordrenkt glibberig glad. Twee nieuwe kousen die sinds mensenheugenis nooit één moment van elkaar gescheiden zijn, worden nu abrupt uit elkaar getrokken op deze helse rit: de éne door een lichtgrijs hemd, de ander door een blauwe slip. Geen van hen weet wanneer en of ze elkaar ooit nog terug zullen zien. Het paarse pyjamatruitje dat zo leuk en gedurfd een koppeltje vormde met een donkergroene trainingsbroek beseft plotseling dat de relatie toch niet zo bevredigend was als het wel had kunnen zijn. De broek kon in deze kakofonie van gebeurtenissen de schijn niet meer hoog houden en het kwam op de trui over alsof hij véél te vol was over zichzelf. “Zie hem bezig,” dacht ze bij zichzelf, “nu komt z’n ware aard eindelijk boven!” Maar zelf mis-amuseerde ze zich zeker en vast niet. Hoe natter iedereen werd, hoe vrolijker het er aan toeging. De ene boxer wreef zijn gat tegen de knoopjes van de andere boxer. Tegelijkertijd werd zijn eigen kruis geprikkeld door de puntjes van de kraag van één of ander hemd dat hem werd aangewaaid. Een paar seconden later kwam hij dan weer in contact met een kous die hij nog niet kende maar hem altijd wel leuk leuk zijn richting in keek als ze oogcontact in de kast hadden. Hier in deze ruimte waren geen remmingen. Iedereen kwam met iedereen in contact in de meest prikkelende manier denkbaar. Een erotisch teamevent waar geen hiërarchie meer bestond. Zowel de kous als de sjaal deed het met iedereen. En elke halve minuut werden de rollen omgekeerd. Dan deed iedereen het met de kous en de sjaal als het ware. Deze film zou onze maatschappij een spiegel kunnen voorhouden waarin we slechts met moeite en een beetje wilskracht naar onszelf konden kijken als de wezens die we werkelijk zijn, namelijk: zo vrolijk zijn wij niet.

Maar een film zou geen film zijn moest er niet gewerkt worden naar een soort apotheose, een hoogtepunt die de kijker wezenloos in zijn stoel laat neerzinken als kleine nederige mens dat hij is. Dit moment wordt ingebouwd via het droogzwieren. Een kijker die dit moment werkelijk wilt meemaken alsof hij er middenin zat, valt op de knieën voor de beeldbuis en drukt zijn neus tegen het glas. Ik weet niet welke filosoof voor het eerst gezegd of geschreven heeft dat wij mensen niet het middelpunt vormen van het heelal, maar ik ben er wél zeker van dat hij tot deze bewering gekomen is door dit moment te beleven. Met je neus tegen het glas van de trommel tijdens het droogproces besef je pas de uitspraak van Voltaire die zei: “Als God niet bestond, zouden we hem moeten uitvinden.” Sommige mensen moeten eerst de ruimte in geschoten worden vooraleer ze met hun nietigheid in reine komen. Ikzelf heb dit geleerd met mijn neus tegen het glas tijdens het zwieren.

Na het hoogtepunt wordt er een rustmoment ingelast. Dit is nodig om weer terug met de beide voetjes op de grond te komen. De indrukken die het publiek de voorbije anderhalf tot twee uren opgedaan hebben kunnen een leven lang meegaan. Je moet dit dus even laten verwerken. Sommigen doen dat in stilte. Anderen zingen er een zacht liedje bij terwijl ze de armen om de knieën geslagen hebben en wiegen op het ritme van het liedje. Op zich maakt het niet uit, als het maar een moment is waarop je eventjes tegen jezelf zegt: “Wat heb ik nu nodig?” Als het een knuffel is, geef jezelf dan een knuffel. Als het even kleine adempauze is, gun jezelf de ogen te sluiten en richt je op je ademhaling. Ook de kledingstukken zijn moe nu. Veel ga je er niet meer uit krijgen. Ze zijn op. Uitgeput en leeg. Ze dwarrelen zomaar een beetje als luie nat bezwete dweilen wat over elkaar en bedanken iedereen voor het allesomvattende avontuur dat ze met z’n allen zopas meegemaakt hebben. Hun vat is af.

Voor de toeschouwer is het daarmee echter nog niet gedaan. Zij of hij, we moeten daarin nuchter en mans genoeg zijn om deze taak te verdelen, moet onze uitgeputte avonturiers nog opvangen en hen een plek om te drogen aanbieden. Anders krijgen ze gegarandeerd een valling of gaan ze stinken. Niet zo geheel voorzichtig halen we ze uit de trommel en leggen ze in een mand. Wel zo geheel voorzichtig nemen we ze daarna één voor één uit de mand leggen ze te drogen op draad of een rek. Sommige mensen hebben een droogtrommel, ik echter niet. Ik zou dus niet weten hoe een kledingstuk daarover denkt. Die van mij vinden het anders wel fijn om rustig, na de wasbeurt, op een ijzeren draadje wat te kunnen keuvelen. Ik zorg dan ook altijd voor dat ik de soort een beetje bij de soort laat hangen: kousen bij elkaar, hemden bij elkaar… Op die manier kan elke stukje weer terug bij zichzelf komen en nemen ze het bestaansrecht weer op door met elkaar te praten. Eens droog en fris beseffen ze dat het leven er is om gedragen te worden en daar worden ze zo zacht van, dat ik ze ze daarbij graag streel.

Ziltig vocht

Tuurlijk heb ik het al eens gedaan. Daar hoeft geen twijfel over te bestaan. Ik ben er niet fier over, daar niet van, maar het is zoals men zegt heel menselijk om te doen. Vooral in deze jachtige tijden waarop je slechts zestien uren per dag tijd hebt om te werken, te lezen, muziek te luisteren, te wandelen en daar bovenop nog eens naar de televisiebuis te kijken. Je kunt bijna niet anders dan af en toe van je kleine hart een steentje maken om rond te komen. Het koken schiet daar wel eens bij in. Toch wil ik een pleidooi houden voor eerlijke soep. Geen brouwsel met bouillonblokjes of kuipjes, maar echte soep gebaseerd op een goed stuk taai vet vlees zonder toegevoegde zouten. Soep waarvan je kleinkinderen tegen hun kleinkinderen zullen zeggen: “Zoals die soep kon maken, zo kunnen wij dat zelf niet.” Onzin natuurlijk, want iedereen kan het. Je moet er gewoon een dagje verlof voor nemen. Voor sommige soepen zelfs twee dagen. Ik denk dan aan kippensoep. Dag één maak je de kippensoep, maar dan ben je de kip nog niet kwijt. Die schat heeft wel een hele nacht nodig om af te koelen zodat je pas de volgende dag kunt beginnen aan een bovennatuurlijk lekkere vol-au-vent met uiteraard zelfgedraaide balletjes gehakt erbij.

Bouillonblokken aan verse groentjes toevoegen is een beetje gelijk een stapeltje mooi vers gewassen en gestreken hemden bij je vuile was smijten. Je kunt dat doen en ze zullen er niet meteen vuil van worden, maar de vraag is: “Waarom zou je het doen?” Dan heb je zoveel moeite gedaan om de groentjes te kopen, te wassen en te snijden, om vervolgens tegen die sneetjes te zeggen: “Ik vind jullie eigenlijk niet lekker. Zie, ik ga jullie wat mengelen met smaakmakers.” Het is alsof je aan het vrijen bent met je geliefde terwijl je naar de originele Emmanuelle film aan het kijken bent. Okay, het kan die extra kick geven die je lekker vind, maar als je iets meer moeite doet in waar je écht mee bezig bent, dan hoeft al dat getoet, gehijg en gebel niet.

Een goed soepje begint en eindigt met een propere keuken. Al wat daartussen gebeurt is wat men in vakjargon noemt: “lekker”.  Veel kookprogramma’s of –boeken maken het veel moeilijker dan het in feite is. Je hebt niet zo veel nodig als zij zeggen. Ik begrijp dat ze het graag zo ingewikkeld maken om zichzelf niet overbodig te maken maar de waarheid ligt echter in het eenvoudige. Je hebt maar twee dingen nodig om soep te maken: de basis en de aard. De basis is vrijwel voor alle soepen hetzelfde. Daarom noemen ze het ook “fond” in het culinairs. Een moeilijk frans woord om alleen maar te zeggen dat je via een kookproces de smaak uit allerlei spulletjes in water gaat transformeren. Het water heeft hier uitsluitend de functie om als opvang te dienen voor de smaakstoffen. De spulletjes zelf zijn ondergeschikt en worden vaak verder niet meer gebruikt. Daarom kies je best voor de ietwat minderwaardige groentjes als daar zijnde: een eenvoudige ui of twee, de blaadjes van de selderplant, het groen van een prei en een paar worteltjes om er wat stoere fallus aan te geven. Het is te merken dat hier niets verloren gaat. Het groen van de prei en de blaadjes van de selder worden niet, ik herhaal: niet, weg gesmeten. Ho nee… Echt eetbaar zijn die niet, maar ze zijn ook niet giftig. Het is juist omdat er zoveel smaak in zit dat het niet eetbaar is. En die smaak kunnen we gebruiken als zoutvervanger. Vervolgens doen we er een slecht stukje vlees bij. Alweer iets dat in feite niet eetbaar is zoals het karkas van een kipje of stevige pezige spierbundels van runderen of afval van varkens… We laten niets verloren gaan. Als we dan toch al iets wegsmijten laat ons er dan eerst al het lekkers uit halen. Bewaar die varkenshaasjes, filets puurs, kalfszwezeriken of billetjes dus maar voor de hoofdschotel. Doe er nog een paar blaadjes laurier, peterseliekruiden, tijm, peperbolletjes en een paar kruidnageltjes in en vervolgens bedek je de boel ruim met water. De klassieke keuken spreekt over het maken van een bundeltje met peterselie- en tijmstengels en laurierbladen, maar dat vind ik matriarchaal gezever. We zijn in een keuken om te koken, niet om met garen en draad te spelen. Zet er nu een vuurtje onder of draai aan het knopje voor de verwarming en laat dit alles tot kookpunt komen met een deksel erop.

Terwijl de hitte in de pot stilaan haar kookpunt bereikt zal je, als je goed hoort, de groentjes met het vlees horen zingen en kirren van plezier:

“Joepie de snoepie, we zijn voor het soepie, we gaan als een groepie, straks naar het spijsverteringskanaal.”

Ze weten natuurlijk niet dat het grootste deel ervan zal weggesmeten worden. Het vlees kan eventueel nog gerecupereerd worden maar de groentjes gaan onherroepelijk na het kookproces een diepvrieszakje in om vervolgens in de vuilnisemmer te belanden. Daarom moet je het kookproces ook minstens een uurtje of twee laten doen. Tegen dan zijn ze allen zo lam van vermoeidheid dat ze een ei niet meer van een komkommer kunnen onderscheiden. Dit is trouwens dezelfde reden als waarom we een deksel op de pot moeten doen bij het koken. De tijd van dit kookproces wordt gebruikt om de rest van de groentjes te snijden. En als we het deksel niet op de pot zetten, dan kunnen ze in het schuitje krijgen dat alles toch niet geheel zo gaat verlopen als ze wel denken. Een prei of een selder kan daar wel tegen, maar ik weet uit ervaring dat uien bijzonder gevoelige groentjes zijn. Je moet daar voorzichtig mee zijn. Een ui schiet van bij het minste in een kolerieke huilbui en die doet dat op zo’n manier dat het zijn omgeving ook aanzet tot wenen. Mensen die nog nooit gekookt hebben zullen zich afvragen of ik niet overdrijf. Hen raad ik aan om eens een uitje te snijden. Als jullie daarbij de ogen droog kunnen houden, chapeau! Mij is het alleszins nog nooit gelukt.

Tot daar voor eventjes de basis. Over de aard heb ik het nog niet gehad. Die is even eenvoudig als het simpel is. Wil je tomatensoep maken, snij dan veel tomaten. Wil je bloemkoolsoep maken, snij dan een massa bloemkolen. Wil je venkelsoep maken, snij jezelf dan rot aan venkel. Wil je spinaziesoep maken, haal dan een kruiwagen spinazie. De eenvoud is begrepen mag ik veronderstellen? Reken altijd zo: de pot waar ik nu mijn basis aan het maken ben moet strakjes vol komen te liggen met de groente naar keuze. Niet halfvol, nee vol. ’t Is te zeggen: zoveel er vocht is. Waar er vocht is, is er nood. Is de pot driekwart vol met vocht, vul hem driekwart met groenten. Ze moeten nét onder staan met de basis die je zonet gemaakt hebt.

En hoe geraken we nu aan dat vocht? Welnu, dat is ook weer zo gemakkelijk dat het bijna niet in woorden vatbaar is. Maar ik ga het toch proberen. Nadat de basis zo’n uren aan een stuk heeft staan koken, liever langer dan korter, halen we in geval er sprake is van soepvlees, het vlees eruit met een prikker en schikken we dat zorgvuldig op een bordje in de buurt van het kookfornuis. Dit doen we uit ergonomisch standpunt. Het bord mag gerust verder liggen maar dat bemoeilijkt het overbrengen. Houdt altijd rekening dat we hier met gloeiendhete materie te maken hebben, dus hoe minder afstand er nodig is om het prachtig gekookte vlees te leggen, hoe beter. Dit vlees kan later op de avond gebruikt worden om stukjes van te snijden als troostvoedsel terwijl je naar de miserie van de wereld tijdens het journaal aan het kijken bent. Dan nemen we een andere pot en zetten daar een vergiet in. Een vergiet is vakjargon voor een pot die lek is. We kappen daar de basis in waardoor de groentjes in het vergiet achter blijven en het smaakvolle vocht in de pot eronder terecht komt. Alzo scheiden we de wegen van het vocht met de smaakmakers. Noteer dat ik hierbij geen gebruik gemaakt heb van een bus met peper of zout.

De pot wordt dan snel eventjes afgewassen met een sponsje en wat water. We spoelen hem goed uit en vervolgens drogen we de buitenkant af met een oude vaatdoek. De binnenkant hoeft niet gedroogd te worden want deze moet toch terug gevuld worden met de groentjes waarvan we soep gaan maken. Keil het er maar gewoon in. Heb daarbij geen schrik. Alles komt in orde. Dan overgieten we het met het smaakvolle basisvocht, we laten de boel terug opkoken en indien je nog niet beginnen lezen bent in een boek is het nu misschien het moment om ermee te beginnen terwijl je wacht tot alles gaar is. Dat mag een vrolijk boek zijn, maar ook een wetenschappelijk onderbouwd boek. Beide zijn mogelijk. Als dan alles gaar is, reken na zo’n half uur tot drie kwartiertjes, haal je de soepmixer boven. Indien het een nieuw model is dat je kunt aansluiten op het elektriciteitsnetwerk, doe dat, anders zorg je er voor dat er voldoende brandstof in de tank zit alvorens hem op te starten. Wat doet een soepmixer? Wel, die doet wat wij met het mes in de blote hand niet kunnen, namelijk alle groenten tot moleculaire deeltjes versnijden. Sommige professionele kok beweren dat je daarna de soep moet ziften, maar dat vind ik onzin. Al die vezeltjes zijn juist goed voor het lichaam en de geest. Het enige dat het soepje nu nog kan gebruiken is wat knabbeltjes. Een soep zonder brokjes is enkel goed voor hoogbejaarde mensen waarbij de bijt- en slikreflex niet zo goed meer functioneert. Deze brokjes worden ook heel sjiek “garnituur” genoemd. Dat mag alles zijn wat je nog van overschot liggen hebt en niet weg wilt smijten: de prei, de selder, de wortels, de ui, maar ook nieuw gemaakte dingetjes als gehaktballetjes, in ruitjes gesneden kruidenflensen of gewoon wat gebroken stukjes goudbladeren die je nog ergens liggen hebt. Nogmaals: niets wordt weggesmeten in een goede keuken en zout is de pornografie van de keuken uit een slecht gezin.

Beweeg, leef en bewonder

Als ik al eens een wandelingetje pleeg te maken dan wil ik dat best goed doen. Geen half werk. De benen van onder het lijf lopen maakt als spreuk op dat moment deel uit van het huidige moment. Ik doe dat zorgvuldig. Men zal mij geen overhaaste sprongen zien maken of beurtelings een koprol tentoon stellen. In het slechtste geval, en dan spreek ik op een droevige maandag als ik met het verkeerde been uit bed gestapt ben, maar dat kan evengoed op een vrolijke donderdag zijn met een piccobello beentje, wil ik wel eens een misstap begaan. Dan struikel ik over mijn eigen benen of een minuscuul steentje op de weg. Als kind had ik niet veel kwaliteiten, maar struikelen kon ik als de beste. Een valavond had in ons gezin een gans andere betekenis dan bij de buren. De ene wonde was nog niet genezen of er kwam een nieuwe bij. Op den duur begon mijn moeder een datum op mijn pleisters te schrijven om enigszins een overzicht te bewaren. En je zou denken dat een mens naarmate hij een ruimschoots aantal keren hetzelfde heeft meegemaakt, daar vanwege pure overmacht een zekere professionele gratie in verkrijgen zal, niets is minder waar. Het tegendeel zelfs. Hoe meer ik viel, hoe lomper het ging. Bij familiefeestjes werd ik in plaats van een liedje te zingen of een versje voor te dragen simpelweg verzocht om nog eens een valpartijtje te maken. Zo tussen twee troevewiezenspelletjes was dat wel eens een welgekomen afwisseling.

Tegenwoordig heb ik dat niet zo vaak meer, dat vallen. Ik doe daar niet nostalgisch over. Misschien is dat ook zoiets waar je kunt uitgroeien. Het mag wel. Ik ben blij dat ik ervan af ben, hoewel ik mij helemaal niet anders voel als toen. Hoewel… Een Eskimo kan je de verschillen tussen tientallen verschillende soorten sneeuw uitleggen. Welnu, ik ga er prat op om hetzelfde met schaafwonden te kunnen. Eigen schaafwonden, wel te verstaan, want ik kan geen bloed zien bij anderen. Kom dus niet af met jullie eigen wonden. Niemand zou het mij nageven, maar er schuilt wel degelijk een uitmuntend sprinter in mij als me daar een goede reden voor gegeven wordt. Zonder een geldige reden beweeg ik liever niet extravagant. Dat heb ik altijd al gehad. Wat dat betreft stroomt er nog altijd dat beetje Hollands bloed doorheen mijn aderen dat van langs mijn moeders kant is doorgegeven. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg!” Op school waren de turnlessen dus niet aan mij besteedt. Ik zag er simpelweg het nut niet van in. Een turnleraar hoefde daar met mij niet over te discussiëren.  Dat wisten ze. Het gebeurde wel eens dat in het begin van zo’n schooljaar een nieuwe leraar mij het lesje wou spellen, maar ik praatte ze allen onder tafel met het gemak van Einstein die in discussie gaat over het getal Pi met de man die op het einde van een groots opgezette stoet waarin paarden zijn betrokken de emmer en de schop hanteert om de accidentjes van de dieren weg te halen. Er is namelijk een reden waarom iemand turnleraar wordt en niet wiskundeleraar of leraar Aardrijkskunde. Dat had ik al vrij snel door. Tegen iemand als ik, die het altijd van zijn intellect gehad moest hebben, eerder dan zijn fysieke kracht of laat staan nog maar mogelijkheden, is zo’n man niet opgewassen.

“Vandaag gaan we zo snel mogelijk van de éne kant van de zaal naar de andere kant lopen en weer terug. Vijf keren achter elkaar.”
“Pardon? Mag ik dan ook vragen waarom?”
Vervolgens heb je een gamma van mogelijke antwoorden, die recht evenredig zijn met het intellect van de leerkracht.
Eén: “Omdat het goed is voor je.”
“Goed? Ik loop honderd keren meer kans op blessures en kwetsuren als ik daar aan mee doe, dan als ik gewoon hier op dit bankje blijf zitten. Gaat u mij dagelijks de notities van mijn klasgenoten naar huis brengen zodat ik de leerstof kan bijhouden? En van welke klasgenoot zou u dat dan doen? Ik vertrouw niet iedereen daarin.”
Twee: “Omdat je er sterker van wordt.”
“Wat bedoelt u juist met sterker? Sterker in het leven of in omvang? Wat ben ik met krachtige spieren als ik niet weet waar Brussel ligt of regen vandaan komt? Of bedoelde u misschien beter? Dan begrijp ik de redenering nog steeds niet. Hoe kan ik een maatschappelijk beter mens worden als ik deze oefening doe?”
Drie: “Dat is goed voor je conditie.”
“Mijnheer, ik fiets elke dag een dik half uur door weer én wind naar deze school om hier hopelijk wat bij te leren dat ik kan gebruiken om later aan werk te geraken. De meeste van mijn klasgenoten worden met de wagen gebracht. U zie ik ook elke dag een parkeerplaats zoeken. Wie van ons heeft hier de beste conditie denkt u?”
Vier: “Omdat ik het zeg!”
“Nou wordt ie helemaal mooi! Is dit de levensles die u mij en mijn klasgenoten hier wilt aanleren? Moet ik mij daaraan onderwerpen? Ik ben baas over mijn eigen lichaam. Ik zeg wanneer en hoe het in actie schiet. Niemand anders. Als u daar niet mee akkoord gaat, of als u daar een andere mening over heeft, dan wil ik u vriendelijk verzoeken met mij mee te gaan naar de schoolconsulent alwaar u zichzelf kunt verdedigen waarom u mij verplicht tot fysieke handelingen waar ikzelf niet mee akkoord ga.”

Ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan maar het zou ééntonig worden. Eens de toon begrepen is, verander je best. Het dient nochtans gezegd te worden dat ik enkele jaren een turnlerares had die het wél begreep. Die wist dat ze mij niet op het veld moest sturen tussen mijn klasgenoten voor een spelletje groepssport waarbij een bal betrokken was. Mijn fysieke mogelijkheden kwamen het beste tot uiting op de bank naast het veld. Het samenhorigheidsgevoel binnen de groep versterkte zich alleen maar als ik niet mee achter zo’n bal moest aanlopen.  Hoewel ik fakete dat het een aard had, was ik in hun ogen een geboren supporter. Geen speler. Als er al eens inspectie was dan liet ze mij even meespelen met de rest, maar zo gauw deze lui doorhadden dat ik zowel voor de groepsdynamiek als voor de eigen psychische gezond beter als reservespeler zou functioneren, mocht ik doen alsof ik het ultieme wapen van het spel was, dat alleen ingezet zou worden als 70% van de huidige spelers een blessure hadden opgelopen of gewoon niet waren komen opdagen. Ik was trouwens de enige die altijd, maar dan ook altijd aanwezig was én volledig in orde met zijn sportkledij. Dat was het minste dat ik kon doen. Meer hoefde ze van mij niet te verwachten. Het is dus niet dat ik de dynamiek van de lessen Lichamelijke Opvoeding niet begreep, ik zag er gewoon het nut niet van in om mijn fysieke beperkingen zomaar voor al mijn klasgenoten tentoon te stellen.

Is het niet triestig dat je maar pas de nodige vrijheid en beschikkingsrecht krijgt over je eigen lichaam, als de psyche geschaad is geweest door het stelsel dat wij school noemen? Ik ben realistisch genoeg om te weten dat bewegen gezond is. Het lichaam is een machine dat onderhouden moet worden met voedsel, regelmatig het raderwerk te laten draaien en de kabels op te spannen. Ik beweeg nu zelfs meer dan vroeger. Ik heb er tenslotte de tijd voor nu. Er wacht mij geen huiswerk meer of lessen die van buiten geleerd moeten worden als ik thuiskom. Nu beweeg ik op mijn eigen maat en normen: een rustgevende wandeling, een tochtje met de fiets, een flinke opruimactie met de stofzuiger in het kielzog of losweg het uithoudingsvermogen aanscherpen door alle accessoires in mijn badkamer achtereenvolgens op te frissen. Dat vind ik zinvol bewegen. Daar heb ik iets aan. Als mijn allerliefste virtuele vriendin mij daarbij moest vragen: “Waarom?” dan hoef ik het antwoord niet ver te gaan zoeken. Omdat het leuk is, ontspannend of omdat ik er gewoon mijn leefwereld adequaat en zichtbaar mee kan verbeteren. Zo een uurtje verplicht turnen kan daar niet aan tippen. Als ik tijdens mijn wandeltochten ergens op een grasveldje een groepje zie bewegen onder leiding van een vieze oude snoeper die er nog voor betaald wordt ook, dan denk ik meestal: “Ga het huis toch lekker in een sopje steken in plaats van hier te moeten voor betalen om te doen wat dat stukje egocomplex daar te vertellen heeft. Dat is even gezond, zowel voor je lichaam, je geest als jouw algemene leefwereld.” Ik maak daarbij geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Iedereen is daar vrij in. Als ze maar gezond zijn.

Prachtig krachtig en praal

 

Ik gaf te kennen aan de vrouwen in mijn buurt dat ze met een gerust hart aan de strijk mochten beginnen. Ik deed dit door ostentatief mijn voordeur te openen, even achterom te kijken zoals een Koning over zijn rijk alvorens hij zijn paleis binnentreedt om de nodige besluiten te ondertekenen, een goedkeurende en geruststellende knik te geven aan al mijn onderdanen, en vervolgens de deur kordaat doch met respect voor de veiligheid dicht te trekken. De houtblokken die klaar lagen om gekapt te worden liet ik links liggen. Enkel de grote bijl haalde ik uit het blok om op die manier de weg vrij te maken naar mijn living. Ik had hem ’s ochtends zodanig geëtaleerd als geheugensteuntje voor die avond dat ik nog een stukje te kappen had ter voorbereiding van de winter. Maar een man kapt écht wel beter als hij er zin voor heeft, dus ik hing hem voorlopig tussen de twee daarvoor in de muur geklopte spijkers. Daar hangt ie goed. Ook de fles smeerolie die ik ter herinnering op mijn salontafel had gezet om na het kappen nog wat fijntjes aan mijn stalen ros te prutsen ging terug de kast in. Ik had er geen zin in. Ik checkte mijn voicemail en ontdekte vier ingesproken berichten. Vier vrouwen, zo bleek, die allen in de loop van deze week nog wel eens met mij wouden afspreken. Fijn zo. Ik nam mijn poezenagenda, checkte een paar dagen af en sms’te ze alle vier een dag en een uur terug waarop ze mij mochten zien. Vervolgens zette ik alle geluid van mijn GSM af om verder niet gestoord te worden.

Had ik nog eten? Ik meende van wel, maar ik wist het niet zeker. Jawel, ik zag dat ik nog een entrecote van een 750 grammetjes ergens onderaan in de frigo had liggen. Lekker! Ik pakte één van mijn grote gietijzeren pannen en stak er de vlam onder. Goede boter erin, smelten, schroeien, kruiden, afijn de héle zooi ter bereiding van een goed stuk vlees. Met smaak at ik hem op. Elk stukje dat ik nam schraapte ik over de bodem van de pan zodat de boter volledig benut werd. Op die manier was de pan zo goed als proper alvorens ik hem bij het vaatwerk legde. Net zo praktisch! Ik liet een boertje van welbehagen. Eindelijk tijd nu om te doen waar ik al de ganse dag zin in had gekregen. Een tijd geleden zond de Vlaams-Belgische zender de Sissi trilogie opnieuw uit en die had ik opgenomen. Dankzij de wonderbaarlijke uitvinding van het digitaal kijken is dat opnemen tegenwoordig zo gemakkelijk geworden, dat zelfs vrouwen het kunnen. Op het baren van kinderen na ben ik ervan overtuigd dat alles wat vrouwen kunnen, mannen ook kunnen, dus heb ik deze trilogie voor mijzelf geprogrammeerd. Ik keek er naar uit om ze nog eens terug te zien. Pure nostalgie, dat kan ik je wel vertellen. Mijn moeder, het schaap moest het geweten hebben dat ze nog eens heruitgezonden zouden worden, was daar zot van.

Met een bordje vol radijsjes en kerstomaatjes en een glaasje water begon ik eraan. Rillingen liepen mij over de rug toen de begintune aanvatte. Romy Schneider, inderdaad… Dat was de actrice. Ik kon me haar niet meer herinneren. Wanneer was het? Misschien wel vijfentwintig jaren geleden dat ik de film voor het laatst zag. Wat vliegt de tijd. Ik knipperde wat oogvocht weg bij de outtro van het nummer zodat ik de film beter kon volgen. Het eerste wat mij opviel was dat de film zowaar Duits gesproken is. Verhip! Dat was ik totaal vergeten. In mijn herinnering waren de I-love-you’s en de I-love-you-too’s niet te tellen in die films, maar dat bleek dus niet zo te zijn. Het was ich-liebe-dich’en en ich-liebe-dich-auch’en die er plak zwaaiden. Ach wel… Rammstein zingt ook in het Duits. En ik heb mijzelf ooit eens verdiept in de new-wave gotic-achtige melodieën van de jaren negentig begin tweeduizend. Daar wordt ook een aardig woordje Duits in gesproken, dus waarom niet. Wier zagen das planksken zonder morren.

Wat was ze mooi… Ons Romy. Ik zag metéén dat zij het was. Ze was de énige van de passerende vrouwen die straalde alsof ze net van een schoonheidsboerderij kwam. Een pluim voor de castingverantwoordelijke. Ik had op voorhand al wat opzoekwerk gedaan naar de achtergrond van het verhaal en daaruit bleek dat de echte Sissi, een zekere Elisabeth Amalie Eugenie, dus Sissi voor de vrienden, (waar haalde ze het vandaan!), in haar tijdgeest ook een behoorlijk lekkere meid moet geweest zijn. Ik heb wat foto’s van haar gezien, maar persoonlijk vind ik ze nog niet tot aan de enkels rijken van Romy als het op schoonheid aankomt. Hoewel ik geen enkel gezien heb. Dat heb je natuurlijk wel met zulke films: oude films die over nog oudere tijden gaan. Er schuilt een zekere magie in zulke films die alles tot de verbeelding overlaat. In totaal heb ik zes uren aan filmmateriaal te zien gekregen waar op een paar te hard aangespannen decolletétjes na, (Waarom werden in die tijd de borsten toch altijd zo hard bij elkaar gedrukt? Het waren net kleine platte steenharde kasseien die daar onder hun hals gemetst waren. Een beetje wobbel mag er toch zijn!), niet één glimp van een notie van enige verdere lichaamsbouw te zien was. Uit de fruitschaaljurken van die tijd kan men enigszins opmaken dat het wel zo moet geweest zijn dat vrijwel elke vrouw toen, hetzij vanuit een voedingspatroon dat toen de norm was, hetzij vanuit een genetisch overgeërfde eigenschap, over een achterwerk beschikt moest hebben die de stereotypen van de zwarte vrouwenbillen méér dan tot de verbeelding mogelijk was overtrof. Wellicht tot het schaamtevolle toe! Waarom anders die paraplukleedjes zo in de mode houden. Op de taille na zie je niets van wat voor enige selectie zou kunnen dienen. Maar kom, toegegeven… Dat wordt allemaal méér dan voldoende gecompenseerd met de ongelofelijk prrrrracht van de kleedjes. De ene al mooier dan de andere. Soms wist ik niet waar ik het langst naar wou kijken, naar haar ogen of haar kleed. Hoe ongelofelijk mooi waren die wel niet afgewerkt zeg. De ene lag nog vers in het geheugen of ze kwam al in een andere nog mooiere op het scherm gelopen.

Tijdens de trilogie had je één scène, ik weet niet of het de bedoeling was, het duurde misschien nog geen seconde, waarop ze als Koningin (in wording of niet, dat ben ik vergeten) naar haar volk staat te zwaaien met ontblote schouders en, dit houd je nu niet meer voor mogelijk maar het was werkelijk zo, daarbij zag je, ik zweer het zo waar ik zweer dat ik gezworen heb, een prachtig klein veldje okselhaartjes. Jawel! Geen bos ofzo waar je de bomen niet meer door kunt zien, neenee, een zijdezacht bloemenstruikje als het ware. De adem-, wat zeg ik, ALLESbenemende Halina Reijn mag voor de zoveelste keer volledig naakt het beeldscherm passeren, het zou me minder gedaan hebben dan deze éne seconde van intieme blik op de haartjes in de oksel van Romy. Was het erom gedaan? Was het in de jaren vijftig nog niet de mode om deze te verwijderen? Geen idee… Ik kan mij geen enkele oude film voor de geest halen waarin ik okselhaar te zien kreeg.

Overigens was ik er altijd van overtuigd geweest dat Sissi stierf op het einde van de derde film. Ik had mij dus voorbereid op een einde dat een tranentrekker van heb-ik-jouw-daar zou worden. Mijn knuffelolifantje Huggie en ik kijken altijd samen naar de televisie. Dat doen we al jaren. Samen zijn we zo een beetje de Ernie en Bert van de TV-kijker. Ik wou voor zijn ogen mij niet laten kennen als iemand die in tranen zou uitbarsten bij de sterfscène van een Sissifilm. Ik weet wel, ik had hem kunnen omdraaien, maar zo ongevoelig ben ik dus niet. In plaats daarvan zocht ik enkele dagen eerder uit hoe de échte Sissi aan haar einde kwam zodat ik het in de film ruimschoots zou zien aankomen. Genoeg op tijd om mijn dissociatie in gang te laten treden. Maar dat was dus niet nodig. De trilogie eindigde met een eerder vrolijke noot die ook als tragedie kan opgevat worden. Briljant gedaan moet ik zeggen. Toen ik de film vijfentwintig jaren geleden zag bestond het internet nog niet. Om uit te zoeken hoe het leven van de echte Sissi eruit zag moest je al naar een bibliotheek gaan. Een opgroeiende jongeman had wel wat anders aan zijn hoofd. Ik moest leren hoe de verbrandingscyclus van een vierslagmoter in elkaar stak en waar op het hout je percies de bijl moest laten neerkomen om met één slag erdoorheen te geraken.

Lekker lapje fietsen

Gisteren heb ik eens meegereden aan de duizend kilometer wielrennen ten voordele van de actie Kom Op Tegen Kanker. Men kan het mij verwijten met de woorden: “Wat heeft die gast tegen kanker zeg!” Maar dan geef ik graag en grif toe dat het één van mijn vooroordelen is die ik niet graag opgeef. Ik hou niet van kanker, punt andere lijn. Alles wat ik erover hoor lijkt mij niet leuk te zijn. En een gedoe! Jeetje… Ik ben iemand die op een zondagmiddag graag met een boekje in de zetel wegzinkt in de buurt van een tasje koffie met honing en melk. Dat mag cafeïnevrij zijn of niet. Daar ben ik nog niet uit. Ik zit in een fase waarop ik de twee eens naast elkaar wil vergelijken. Het leven blijft uiteindelijk één groot avontuur. Om maar te zeggen, ik heb wel wat beters te doen dan naar het ziekenhuis te gaan om alweer een behandeling te ondergaan of één of andere diagnose te laten bevestigen. Sommige mensen houden niet van haring, winkelen of okselhaar, welnu ik houd niet van kanker. Daarom dacht ik gisteren: laat ik eens een eindje meerijden. Dat leek me wél leuk. Elke gelegenheid die ik krijg om een bende bikequeens op de fouten van hunner wegen te wijzen neem ik graag en met beide handen aan. Want laat me duidelijk zijn, het enige dat ik op dat moment gemeen had met de massa was onze aversie voor kanker. Afijn, daar ga ik van uit. Misschien is het wat naïef om te denken dat er geen andere factoren een rol konden spelen bij die rakkers. Ik ben alleszins niet naïef genoeg om mij daarover nog te kunnen verbazen. Het vergt al een speciale soort mentaliteit om je als man op zo’n manier te kleden dat het misschien puur voor de lol kan zijn ook, dat ze meededen. Een soort mannen-onder-onsje waarbij men bobbels kan vergelijken zoals vrouwen onderling doen over schoenen. En is er een betere gelegenheid om dit te doen als bij een rondje fietsen ten voordele van Kom Op Tegen Kanker? Ik dacht het niet. Mij niet gelaten. Ik heb me al in vreemdere milieus bevonden.

Eigenlijk was het die ochtend niet mijn intentie geweest om mee te doen. Meer nog, ik wist niet dat er überhaupt iets te doen was. Zoals steeds ben ik de laatste die te horen krijgt dat er een evenement in de stad mijner hoofdtoilet te doen is. En zo hoort het ook. Anders maak ik mij daarover alleen maar zenuwachtig. Ik kreeg al iets in het schuitje toen ik naar de supermarkt reed om mijn boodschappen te doen. Dat is een activiteit die ik graag zo vroeg mogelijk doe. Liefst nog vóór supermarkt open gaat, maar dat is mij nog niet gelukt. Op zo’n vroeg uur is het niet normaal om te moeten wachten op een stoet van gemotoriseerde politieagenten alvorens ik de straat kon oversteken. Moest ik het gewild hebben, ik zou nog nét voor hen tot aan de overkant geraakt zijn, maar ze zagen er zo knudde uit in hun dikke kostuumpjes bij zulk warm weder dat ik ze uit compassie maar heb laten voorgaan. Ik kan een lieve jongen zijn als ik dat wil. Ze maakten bovendien een hels lawaai met die brommers waarop ze reden zodat ik ook zoiets had van: Er ligt in deze straat misschien ergens een bijzonder mooie, schrandere en lieve vrouw te slapen met niets meer aan dan een fijn met bloemetjes versierd bordeauxrood kanten slipje, as they brom, zodat die mannen maar liever zo rap mogelijk met hun klikken en klakken passé zijn om haar niet wakker te maken. Je weet maar nooit. Die mannen trokken hun dat klaarblijkelijk niet aan, maar ik wil zoiets niet op mijn geweten hebben. Het was misschien wel mijn toekomstige teerbeminde die daar lag. Ze leek er alleszins wél op in mijn gedachten. Zachtjes zette ik mijn fietstocht verder. Op dat moment wist ik nog steeds niet wat er gaande was.

Na vriendelijk en ietwat (nog steeds) verlegen (op mijn leeftijd!) een prettig weekend gewenst te hebben aan de nieuwe kassabediende, een jobstudente volgens mij, rekkerde ik mijn stoere shopping-bag op het bagagerek van mijn fiets vast en vervolgde mijn tocht naar de zaterdagmarkt van de Grote Markt. Curieus keek ik naar de dranghekken langs de kant van de straat. Ik fiets daar wel vaker maar nog nooit hebben ze dat daar voor mij neergezet. Wat aardig van ze, dacht ik. Dat hadden ze nou niet moeten doen. Het beloofde een snikkend hete dag te worden dus er was geen tijd om een traantje van ontroering weg te pinken. (Hebben jullie hem door? “snikkend heet” en “een traantje wegpinken”… Briljant!) Ik moest zo snel mogelijk terug thuis zien te geraken vooraleer mijn zweet zou doorbreken tot ik een modderfiguur sla. Toen ik de Grote Markt naderde zag ik één schijnbaar georganiseerd chaos. Midden op de Grote Markt had men een hoopje bikequeens samengedreven. Wellicht voor de eigen veiligheid. Rondom hen zag ik tientallen gemotoriseerde politielui (zoals het hoort) en daar nog eens rond (gelijk de schillen van een ui?) zag ik publiek staan. Een vlugge blik liet mij meteen opmerken dat het uitgerekende DIE familieleden waren van de samengedreven groep waarvan er élke familie wel één van heeft. Geen wonder dat ik ze zag popelen om te vertrekken. Maar ze mochten nog niet. Een man met een pistool hield ze tegen. Ze doen maar dacht ik. Leven en laten leven. Gelukkig had dit evenement niet tot gevolg dat ik moest gaan zoeken naar mijn favoriete vleeskraam. Het stond daar waar het altijd stond: mooi in de schaduw van een historisch gebouw. Dat paste perfect bij mijn plannen, want ik ging het voedsel van mijn voorvaderen kopen: goeie dikke lappen vet spek. Of dikke lappen goed vet spek zo de lezer het zelf verkiest. Misschien heb ik hier even wat achtergrond te geven bij deze situatie. Momenteel ben ik aan het lezen in het boek “Eten op zijn Vlaams” van Louis Paul Boon, schrijver van één van mijn favoriete boeken “De Kappellekensbaan” maar ook auteur van enkele erotische werkjes. Welnu, wat hij doet met die erotische werkjes doet hij culinair met “Eten op zijn Vlaams”. Mijn lippen werden zowaar vochtig bij het lezen van dit literaire kookboek. Een documentaire op TV heeft mij onlangs een beetje schrik doen krijgen van alle bewerkte vleeswaren zoals (jawel) spek, sausissen, gerookt vlees, salami, charcuterie en weet ik niet wat voor vleessoorten er nog allemaal zijn op dit moment. Bedankt Louis om het allemaal in zijn perspectief te brengen en goed bewerkt vlees in waarde te herstellen. De oma van mijn vaders kant die van “den buiten” kwam zag ik terug voor mijn ogen haar bordje proper maken door er met haar duim in te strijken. Met mijn spek in een plastieken zakje, de handvaten van het zakje stevig rond mijn pols, ging ik terug naar mijn fiets. Zo gauw als mijn goed gereinigde zitvlak het zadel van mijn fiets raakte hoorde ik een knal op de achtergrond en zag ik iedereen zenuwachtig worden. Het zal toch niet waar zijn? Jawel, we spreken hier Geluk-à-la-David op een bedje van Murphy. Heel eventjes wou ik er mij niets van aan trekken en gewoon vertrekken zoals ik van zins was. Ik ken echter voldoende van de psychologie van groepen om te weten dat ik mij niet als een rebel wil gedragen in een massa van gelijkgezinden. Gedwee liet ik de massa bikequeens dan maar passeren. Zo maken ze ook weer eens wat mee, dacht ik bij mezelf. Toen ik de laatste duts naderbij zag komen plande ik het snode plan om er snel achteraan bij in te fietsen. Als dàt de boel niet kon opfrissen? Een mooier voorbeeld van échte historische oude Vlaamsche wielerkunst is niet denkbaar: in groep fietsen met een stevige loodzware fiets, een doordeweekse korte broek, echt beenhaar, een hemd met korte mouwen, echt borsthaar en een zakje goeie dikke lappen vet spek aan het stuur. Ernest Claes had het moeten zien! Op deze en geen andere manier is de wielersport uiteindelijk ontstaan hier in Vlaanderen. Zo zou het nog steeds moeten zijn. Met z’n allen zo rap mogelijk naar de eindstreep vooraleer het spek ranzig begint te worden van de temperatuur. In mijn geval blijft het spijtig dat daar geen vrouw staat te wachten met een braadpan op het vuur, maar okay… Alleen zijn heeft ook voordelen. Die braadpan dient bij mij alléén maar om te braden en bakken.

De supporters zagen metéén wat mijn bedoeling was. Allen knikte ze goeddunkend mijn richting uit. Velen van hen zagen misschien voor het eerst een échte fietser meedoen met dit soort spelen. Ik glimlachte naar hen allen om te laten merken dat ik het niet erg vond, dat ik een man van de wereld was, dat ik het begreep. Na honderd meter sloeg de groep een zijstraat in. Ik wou rechtdoor fietsen. Ruim op tijd deed ik teken naar de politieagenten die de groep in die bocht in goede banen moest leiden. Ze zagen meteen dat ik gestudeerd had en lieten mij passeren. Thuis gekomen en op de bank gelegen was ik tevreden dat ik mijn plicht gedaan heb als goede burger. Ik heb niet alleen de maatschappij een spiegel voorgehouden over sommige rare denkwijzen die er zijn ingeslopen, maar ik heb ook mijn steentje bijgedragen in de strijd tegen die ziekte waar ik zo’n hekel aan heb.

Dag vreemde man

Grappig… Op zoek naar een leuk begin om deze tekst te starten nam ik mijn vertrouwde Google in handen en zocht op het woord “mannen”. Het is altijd wel eens leuk om zomaar eens een van de pot gerukt woord in Google in te typen om te kijken waar je uitkomt. Blijkbaar is mijn soort- en naamgenoot dé David van Michelango het toonbeeld van mannelijkheid op het wereldwijdse web. Vermits mijn ego zich noodgedwongen moet vastklampen aan elk beschikbaar en/of mogelijk compliment, reëel of verzonnen, hecht ik hier veel waarde aan. Het had erger gekund. Eerlijk gezegd verwachtte ik bij biercommercials terecht te komen. Schijnbaar toonbeelden van mannen met dagenoude stoppelbaarden die al even lang met een schamele kano en een door de tand des tijds  versleten roeistokje een wildwater rivier trotseren. Je wilt daarbij niet weten hoeveel volksstammen er in die rivier hun behoeften hebben gedaan vooraleer al dat water zich heeft gesetteld beneden in dat diepe dal alwaar hij vermoedt dat de blikjes er van nature uit gefrist worden. Waarom zoekt hij geen werk zodat hij ze gewoon uit de frigo kan pakken? Het maakt niet uit. Deze sneu van een man grijpt met zijn machtig gespierde arm naar de bodem van de plas (water, plas en beer), haalt een blinkend stinkend klinkend blik bier boven, aanschouwt dit wonder van zijn doorzettingsvermogen met dezelfde trekken in zijn door de zon gebruinde gelaat als toen hij ontdekte dat hij met de spreekwoordelijke hakken over de sloot (51%) alsnog naar de diploma-uitreiking van het lager onderwijs mocht gaan, trekt aan het lipje van het blik alsof het de panty was van Carice van Houten die in één van haar speelse buien besloot om hem dan maar te nemen omdat er geen betere exemplaren in de buurt zijn en hij al zolang ligt te zeuren, brengt het blik naar zijn forse op  miraculeuze wijze ongekloven lippen, slaat zijn hoofd achterover en laat met zichtbaar genoegen het voosgele schuimde vocht doorheen het open gaatje van deze trofee zijn keelgat binnen stromen. Dat is dan ook meteen het einde van deze shot. Daarna krijgen we een paar mooi gestapelde blikjes te zien onder het logo van het bedrijf dat voor deze spot betaald heeft. De man zelf laat op de achtergrond een ructus die de permanent van zijn make-up dame compleet verwoest.

Ik ben nooit een meeloper geweest, maar als de David van Michelango de norm is dan draag ik graag deze naam. Wel spijtig dat ik er nog niet half toe aan geraakt. Normen zijn niet aan mij gespendeerd. Ik maak ze zelf wel. Hetzij noodgedwongen, hetzij uit vrije willekeur. Gisteren bijvoorbeeld kocht ik een vis. Een schone vis. Zo eentje met kop noch staart. En als groente daarbij stak ik een busseltje asperges in mijn shopping bag. Méér mannelijk dan dat kan het niet worden in mijn leefwereld. Voor mensen die mij willen pakken op mijn shopping bag, laat mij daarbij zeggen dat ik een uitzonderlijk mannelijke shopping bag heb. Een paarse met twee flinke stevige stokken als handvat en met grote letters “SHOPPING BAG” erop geschreven zodat iedereen ziet dat deze tas voor boodschappen bedoeld is en niet voor naaldhakken, make up of maandverbanden. Gewoonlijk heb ik scheergerief, een flinke houtmoer en een corset voor mannen op leeftijd insteken maar deze keer dus niet. Het woord “praktisch” begint niet voor niets met de “p” van ploegen (wat nog steeds een uitgesproken mannelijke activiteit is). Als een man om eten gaat, dan maakt hij daar plaats voor in zijn shopping bag. In het verlengde daarvan maak ik, eens thuisgekomen, de weg vrij naar mij keuken alwaar ik ostentatief voor alle vrouwen die mij ook maar konden aanstaren (ik heb een ruit in mijn keuken die uitkijkt op een paar appartementsblokken) de vis op tafel en de asperges er naast. Voor die asperges moest ik nog flink uitkijken want hoewel ik zonet schreef over een busseltje asperges waren ze in feite los gekocht. Het meisje van het groentekraampje vroeg mij hoeveel een bussel was want ze lagen zomaar los in de groentebak, weliswaar mooi gesorteerd. Ik wist dat ook niet. Ze moest nog aan haar baas vragen wat juist het equivalent was van een bussel, de schat. Hij verklaarde daarop met mannnelijke stamina: “Een halve kilo.” Eens uit de papieren zak moest ik dus zien dat ze niet van mijn tafel rolde. Zo gauw die veilig lagen slaakte ik een rauwe mannelijke kreet van welbehagen en liet daarbij niet na mijn vuisten gebald voorheen mijn none-pack een paar keren op en neer te bewegen. Als er vrouwen keken,  dan wisten ze ondertussen wel waar ze aan toe waren.

Ik waste en schilde mijn asperges met de zorgvuldigheid die de mannelijkheid volgens mijn norm eigen is. Ondertussen liet ik water koken om de schelletjes van de asperges in te laten koken. Asperges koken in zuiver water is een beetje zonde doen aan de ijdelheid van deze groente. “Zo weinig mogelijk wegsmijten en zoveel mogelijk gebruiken!” dat is de leuze van de brousse. Daarom zorg ik er voor dat eerst alle smaakstoffen van de aspergeschelletjes in water terecht komt door ze er een half uurtje in te laten koken, alvorens ik dat “water” gebruik voor de échte asperges. Op die manier heb je geen smaakverlies. Echte mannen houden van hartig voedsel, onthoudt dat. Voor de vis vulde ik eerst een schaal met échte bloem zonder te zeven. Zeven is voor mietjes. Deze mengelde ik met dezelfde soort kruiden als waar vierhonderd jaren geleden stoere zeemannen een reis naar de andere kant van de wereld voor maakte: dé peperbol en het nootmuskaatje. Met een ongepedicuurde doch propere hand liet ik de vis doorheen deze kruidige mengeling gaan. Daarbij keek ik niet op een propere tafel. Mijn verstand was gericht op het eindresultaat en niets anders. Een ridder kijkt ook niet achterom om te zien of zijn paard de weg niet vervuild heeft. De vis was klaar om gebakken te worden. Al de vrouwen die dit alles aan het volgen waren zat nu wellicht tegen het puntje van hun tafel geschurkt. Ik pakte een pan die de grootte van mijn vis zou kunnen bevatten. Je moet nooit voor kleiner gaan. Dat heb ik ondertussen al wel geleerd. Een klont kokosolie liet zich welgevallen in deze pan en smolt als Barbie voor Ken bovenop het vuur. De vraag kan gesteld worden: “Gij daar, die daar staat te pronken met uwen testosteron, is kokosolie wel mannelijk?” Jazeker is dat mannelijk, want het bevat verzadigde vetzuren. Nu gij. Het is trouwens allang niet meer van deze tijd om te denken dat het de verzadigde vetzuren zijn die het hart en de bloedvaten doet dichtslippen. Daar zijn meerdere onderzoeken naar gedaan. Terug naar de vis. Deze liet zich maar al te graag bakken. Een visje in goede handen zal nooit protesteren om te pruttelen in een braadpan als het zich veilig en geborgen voelt.

En terwijl dit alles zo lag te pruttelen en te garen gingen mijn gedachten zoals bij zovele mannen vóór mij naar de zin des levens. Waar staan we? Hoe zijn we zo ver gekomen? Waar willen we nog naartoe? Hebben we voldoende bereikt in het leven? Hoe kunnen we het nog verrijken? Ik zou sportiever kunnen zijn. En het avontuur meer opzoeken. Risico nemen. Grenzen opzoeken en aftasten. Ik ging naar mijn slaapkamer, haalde een gemakkelijk zittende joggingsbroek uit de kast en trok die aan. Dat was sportief genoeg. En voor al het andere haalde ik een fles rode wijn van mijn keukenkast en ontkurkte die met een guitige blik in mijn ogen. Ik schonk mij hier een goed glas van en terwijl ik al het eten naar de eettafel bracht proostte ik naar al de vrouwen die mijn avonturen van vandaag alweer hebben mogen meemaken. Ik dankte ze voor het kijken wenste hen nog een prettige dag verder. Vervolgens trok ik mij terug in de foyer van mijn living alwaar ik smakelijk het stukje vis, de asperges en de rode wijn mijn mond liet binnenglijden. Zoals steeds lette ik daarbij op mijn tafelmanieren. Het wil niet zeggen dat niemand je in het schuitje heeft, dat je daarom niet netjes kunt eten. Ik ben een echte man en volgens mijn normen  doe je dat vierentwintig uren per dag. Niet alleen als er vrouwen kijken.