Spel van wat Was

Als je de vergelijking maakt vallen de films van Quinten Tarantino erbij in het niets. Het brute en rauwe geweld van een door intriges geëngageerd script dat doorheen het programma loopt als een thriller van Stephen King geschreven door Jacky Het Rippertje is volgens mij ook niet te filmen. Waar onze Quinten liters bloed voor nodig heeft en een woordenboekje aan scheldwoorden om toch maar een zekere spanning in het verhaal te brengen, wordt bij deze gebeurtenis via een soort natuurlijke flow, de gang van zaken zeg maar, de suspense opgevoerd. Het enige wat misschien als vergelijking kan dienen om deze sfeer te omschrijven is het moment van een bevalling. De losgeslagen tocht die een vrouw en haar man aflegt vanaf de eerste wee waarbij ze alle twee beseffen: “Wij gaan hier dadelijk wat meemaken,” tot de laatste floep die nodig is om de baby gemoedelijk uit haar lichaam te laten glijden is er één die cinematopisch gezien gevoelsmatig ook niet over te brengen is. Ik heb alleszins geen enkele blockbuster gezien of louter van over horen spreken die hierover gaat. Het zou nochtans schoon zijn moest iemand door gebruik te maken van de juiste filmtechnieken met respect voor de realiteit de gevoelens van deze gebeurtenis op accurate wijze overbrengen op een doordeweeks bioskooppubliek van verliefde koppeltjes, krakende voorvechters van de gebakken aardappel en cultuur minnende mensen die zichzelf anders vervelen. En toch is het de poging meer dan waard. Het kan een opstapje zijn om het grotere ultieme werk aan te gaan. Pluto werd ook niet metéén als doel gezien voor de ruimtevaart. Men probeerde eerst al eens van de grond te geraken, dan tot bij een wolk te komen, vervolgens over een wolk, voorbij de dampkring, de maan, Mars, Jupiter, Saturnus en zo zijn we uiteindelijk toch nog tot Pluto geraakt.

Een uitdaging zal het zeker worden. Hoe film je, zeg het mij indien er toch ideeën zouden ontstaan bij mijn lezerspubliek, op zo’n wijze dat het de hartverscheurende dramatiek van de realiteit recht doet, een situatie waarbij je tientallen individuele persoonlijkheden in één grote half verlichte ruimte propt, niet wetende wat er gaat gebeuren. Welke achtergrondmuziek speel je daarbij? En hoe luid moet deze gemixt worden om het gruwelijke gekrijs van stemmen van de spelers op zo’n manier te “bedekken” dat ze nog steeds te horen zijn, maar niet zo hard dat het bloed in de aderen van het publiek stolt. Vervolgens zie je de paniek in hun ogen als de glazen deur achter hen gesloten wordt. Eén van hen roept nog tevergeefs om zijn favoriete dekentje. Een ander verliest door de angst zijn verstand en begint luidkeels te lachen. Een lach die als droog ijs weerklinkt op de ijzeren wanden van hun cel. De rest rilt in stilte, wachtend op wat er te gebeuren staat.

De knop wordt ingedrukt. Duidelijk horen we hoe op de achtergrond hoe de kraan wordt open gedraaid.

Als dit moment goed ingeleid wordt dan kan het bijna niet anders of het publiek, wij dus, zitten vanaf nu met open monden naar onze beeldbuis te kijken. Er gebeurt zoveel tegelijkertijd dat we haast niet weten waar eerst naar te kijken. De snack die we onszelf bereid hebben om tijdens de voorstelling te happen ligt onaangetast naast ons op de grond. Een lawine van kousen, hemden, T-shirts, ondergoed, pyjama’s- en trainingsbroeken borrelt donderend door elkaar. Het water, dat met een frisgeurend sopje gemengd wordt vooraleer het de kledingstukken bereikt, maakt ze allen van vochtig tot nat tot doordrenkt glibberig glad. Twee nieuwe kousen die sinds mensenheugenis nooit één moment van elkaar gescheiden zijn, worden nu abrupt uit elkaar getrokken op deze helse rit: de éne door een lichtgrijs hemd, de ander door een blauwe slip. Geen van hen weet wanneer en of ze elkaar ooit nog terug zullen zien. Het paarse pyjamatruitje dat zo leuk en gedurfd een koppeltje vormde met een donkergroene trainingsbroek beseft plotseling dat de relatie toch niet zo bevredigend was als het wel had kunnen zijn. De broek kon in deze kakofonie van gebeurtenissen de schijn niet meer hoog houden en het kwam op de trui over alsof hij véél te vol was over zichzelf. “Zie hem bezig,” dacht ze bij zichzelf, “nu komt z’n ware aard eindelijk boven!” Maar zelf mis-amuseerde ze zich zeker en vast niet. Hoe natter iedereen werd, hoe vrolijker het er aan toeging. De ene boxer wreef zijn gat tegen de knoopjes van de andere boxer. Tegelijkertijd werd zijn eigen kruis geprikkeld door de puntjes van de kraag van één of ander hemd dat hem werd aangewaaid. Een paar seconden later kwam hij dan weer in contact met een kous die hij nog niet kende maar hem altijd wel leuk leuk zijn richting in keek als ze oogcontact in de kast hadden. Hier in deze ruimte waren geen remmingen. Iedereen kwam met iedereen in contact in de meest prikkelende manier denkbaar. Een erotisch teamevent waar geen hiërarchie meer bestond. Zowel de kous als de sjaal deed het met iedereen. En elke halve minuut werden de rollen omgekeerd. Dan deed iedereen het met de kous en de sjaal als het ware. Deze film zou onze maatschappij een spiegel kunnen voorhouden waarin we slechts met moeite en een beetje wilskracht naar onszelf konden kijken als de wezens die we werkelijk zijn, namelijk: zo vrolijk zijn wij niet.

Maar een film zou geen film zijn moest er niet gewerkt worden naar een soort apotheose, een hoogtepunt die de kijker wezenloos in zijn stoel laat neerzinken als kleine nederige mens dat hij is. Dit moment wordt ingebouwd via het droogzwieren. Een kijker die dit moment werkelijk wilt meemaken alsof hij er middenin zat, valt op de knieën voor de beeldbuis en drukt zijn neus tegen het glas. Ik weet niet welke filosoof voor het eerst gezegd of geschreven heeft dat wij mensen niet het middelpunt vormen van het heelal, maar ik ben er wél zeker van dat hij tot deze bewering gekomen is door dit moment te beleven. Met je neus tegen het glas van de trommel tijdens het droogproces besef je pas de uitspraak van Voltaire die zei: “Als God niet bestond, zouden we hem moeten uitvinden.” Sommige mensen moeten eerst de ruimte in geschoten worden vooraleer ze met hun nietigheid in reine komen. Ikzelf heb dit geleerd met mijn neus tegen het glas tijdens het zwieren.

Na het hoogtepunt wordt er een rustmoment ingelast. Dit is nodig om weer terug met de beide voetjes op de grond te komen. De indrukken die het publiek de voorbije anderhalf tot twee uren opgedaan hebben kunnen een leven lang meegaan. Je moet dit dus even laten verwerken. Sommigen doen dat in stilte. Anderen zingen er een zacht liedje bij terwijl ze de armen om de knieën geslagen hebben en wiegen op het ritme van het liedje. Op zich maakt het niet uit, als het maar een moment is waarop je eventjes tegen jezelf zegt: “Wat heb ik nu nodig?” Als het een knuffel is, geef jezelf dan een knuffel. Als het even kleine adempauze is, gun jezelf de ogen te sluiten en richt je op je ademhaling. Ook de kledingstukken zijn moe nu. Veel ga je er niet meer uit krijgen. Ze zijn op. Uitgeput en leeg. Ze dwarrelen zomaar een beetje als luie nat bezwete dweilen wat over elkaar en bedanken iedereen voor het allesomvattende avontuur dat ze met z’n allen zopas meegemaakt hebben. Hun vat is af.

Voor de toeschouwer is het daarmee echter nog niet gedaan. Zij of hij, we moeten daarin nuchter en mans genoeg zijn om deze taak te verdelen, moet onze uitgeputte avonturiers nog opvangen en hen een plek om te drogen aanbieden. Anders krijgen ze gegarandeerd een valling of gaan ze stinken. Niet zo geheel voorzichtig halen we ze uit de trommel en leggen ze in een mand. Wel zo geheel voorzichtig nemen we ze daarna één voor één uit de mand leggen ze te drogen op draad of een rek. Sommige mensen hebben een droogtrommel, ik echter niet. Ik zou dus niet weten hoe een kledingstuk daarover denkt. Die van mij vinden het anders wel fijn om rustig, na de wasbeurt, op een ijzeren draadje wat te kunnen keuvelen. Ik zorg dan ook altijd voor dat ik de soort een beetje bij de soort laat hangen: kousen bij elkaar, hemden bij elkaar… Op die manier kan elke stukje weer terug bij zichzelf komen en nemen ze het bestaansrecht weer op door met elkaar te praten. Eens droog en fris beseffen ze dat het leven er is om gedragen te worden en daar worden ze zo zacht van, dat ik ze ze daarbij graag streel.

Advertenties

Ziltig vocht

Tuurlijk heb ik het al eens gedaan. Daar hoeft geen twijfel over te bestaan. Ik ben er niet fier over, daar niet van, maar het is zoals men zegt heel menselijk om te doen. Vooral in deze jachtige tijden waarop je slechts zestien uren per dag tijd hebt om te werken, te lezen, muziek te luisteren, te wandelen en daar bovenop nog eens naar de televisiebuis te kijken. Je kunt bijna niet anders dan af en toe van je kleine hart een steentje maken om rond te komen. Het koken schiet daar wel eens bij in. Toch wil ik een pleidooi houden voor eerlijke soep. Geen brouwsel met bouillonblokjes of kuipjes, maar echte soep gebaseerd op een goed stuk taai vet vlees zonder toegevoegde zouten. Soep waarvan je kleinkinderen tegen hun kleinkinderen zullen zeggen: “Zoals die soep kon maken, zo kunnen wij dat zelf niet.” Onzin natuurlijk, want iedereen kan het. Je moet er gewoon een dagje verlof voor nemen. Voor sommige soepen zelfs twee dagen. Ik denk dan aan kippensoep. Dag één maak je de kippensoep, maar dan ben je de kip nog niet kwijt. Die schat heeft wel een hele nacht nodig om af te koelen zodat je pas de volgende dag kunt beginnen aan een bovennatuurlijk lekkere vol-au-vent met uiteraard zelfgedraaide balletjes gehakt erbij.

Bouillonblokken aan verse groentjes toevoegen is een beetje gelijk een stapeltje mooi vers gewassen en gestreken hemden bij je vuile was smijten. Je kunt dat doen en ze zullen er niet meteen vuil van worden, maar de vraag is: “Waarom zou je het doen?” Dan heb je zoveel moeite gedaan om de groentjes te kopen, te wassen en te snijden, om vervolgens tegen die sneetjes te zeggen: “Ik vind jullie eigenlijk niet lekker. Zie, ik ga jullie wat mengelen met smaakmakers.” Het is alsof je aan het vrijen bent met je geliefde terwijl je naar de originele Emmanuelle film aan het kijken bent. Okay, het kan die extra kick geven die je lekker vind, maar als je iets meer moeite doet in waar je écht mee bezig bent, dan hoeft al dat getoet, gehijg en gebel niet.

Een goed soepje begint en eindigt met een propere keuken. Al wat daartussen gebeurt is wat men in vakjargon noemt: “lekker”.  Veel kookprogramma’s of –boeken maken het veel moeilijker dan het in feite is. Je hebt niet zo veel nodig als zij zeggen. Ik begrijp dat ze het graag zo ingewikkeld maken om zichzelf niet overbodig te maken maar de waarheid ligt echter in het eenvoudige. Je hebt maar twee dingen nodig om soep te maken: de basis en de aard. De basis is vrijwel voor alle soepen hetzelfde. Daarom noemen ze het ook “fond” in het culinairs. Een moeilijk frans woord om alleen maar te zeggen dat je via een kookproces de smaak uit allerlei spulletjes in water gaat transformeren. Het water heeft hier uitsluitend de functie om als opvang te dienen voor de smaakstoffen. De spulletjes zelf zijn ondergeschikt en worden vaak verder niet meer gebruikt. Daarom kies je best voor de ietwat minderwaardige groentjes als daar zijnde: een eenvoudige ui of twee, de blaadjes van de selderplant, het groen van een prei en een paar worteltjes om er wat stoere fallus aan te geven. Het is te merken dat hier niets verloren gaat. Het groen van de prei en de blaadjes van de selder worden niet, ik herhaal: niet, weg gesmeten. Ho nee… Echt eetbaar zijn die niet, maar ze zijn ook niet giftig. Het is juist omdat er zoveel smaak in zit dat het niet eetbaar is. En die smaak kunnen we gebruiken als zoutvervanger. Vervolgens doen we er een slecht stukje vlees bij. Alweer iets dat in feite niet eetbaar is zoals het karkas van een kipje of stevige pezige spierbundels van runderen of afval van varkens… We laten niets verloren gaan. Als we dan toch al iets wegsmijten laat ons er dan eerst al het lekkers uit halen. Bewaar die varkenshaasjes, filets puurs, kalfszwezeriken of billetjes dus maar voor de hoofdschotel. Doe er nog een paar blaadjes laurier, peterseliekruiden, tijm, peperbolletjes en een paar kruidnageltjes in en vervolgens bedek je de boel ruim met water. De klassieke keuken spreekt over het maken van een bundeltje met peterselie- en tijmstengels en laurierbladen, maar dat vind ik matriarchaal gezever. We zijn in een keuken om te koken, niet om met garen en draad te spelen. Zet er nu een vuurtje onder of draai aan het knopje voor de verwarming en laat dit alles tot kookpunt komen met een deksel erop.

Terwijl de hitte in de pot stilaan haar kookpunt bereikt zal je, als je goed hoort, de groentjes met het vlees horen zingen en kirren van plezier:

“Joepie de snoepie, we zijn voor het soepie, we gaan als een groepie, straks naar het spijsverteringskanaal.”

Ze weten natuurlijk niet dat het grootste deel ervan zal weggesmeten worden. Het vlees kan eventueel nog gerecupereerd worden maar de groentjes gaan onherroepelijk na het kookproces een diepvrieszakje in om vervolgens in de vuilnisemmer te belanden. Daarom moet je het kookproces ook minstens een uurtje of twee laten doen. Tegen dan zijn ze allen zo lam van vermoeidheid dat ze een ei niet meer van een komkommer kunnen onderscheiden. Dit is trouwens dezelfde reden als waarom we een deksel op de pot moeten doen bij het koken. De tijd van dit kookproces wordt gebruikt om de rest van de groentjes te snijden. En als we het deksel niet op de pot zetten, dan kunnen ze in het schuitje krijgen dat alles toch niet geheel zo gaat verlopen als ze wel denken. Een prei of een selder kan daar wel tegen, maar ik weet uit ervaring dat uien bijzonder gevoelige groentjes zijn. Je moet daar voorzichtig mee zijn. Een ui schiet van bij het minste in een kolerieke huilbui en die doet dat op zo’n manier dat het zijn omgeving ook aanzet tot wenen. Mensen die nog nooit gekookt hebben zullen zich afvragen of ik niet overdrijf. Hen raad ik aan om eens een uitje te snijden. Als jullie daarbij de ogen droog kunnen houden, chapeau! Mij is het alleszins nog nooit gelukt.

Tot daar voor eventjes de basis. Over de aard heb ik het nog niet gehad. Die is even eenvoudig als het simpel is. Wil je tomatensoep maken, snij dan veel tomaten. Wil je bloemkoolsoep maken, snij dan een massa bloemkolen. Wil je venkelsoep maken, snij jezelf dan rot aan venkel. Wil je spinaziesoep maken, haal dan een kruiwagen spinazie. De eenvoud is begrepen mag ik veronderstellen? Reken altijd zo: de pot waar ik nu mijn basis aan het maken ben moet strakjes vol komen te liggen met de groente naar keuze. Niet halfvol, nee vol. ’t Is te zeggen: zoveel er vocht is. Waar er vocht is, is er nood. Is de pot driekwart vol met vocht, vul hem driekwart met groenten. Ze moeten nét onder staan met de basis die je zonet gemaakt hebt.

En hoe geraken we nu aan dat vocht? Welnu, dat is ook weer zo gemakkelijk dat het bijna niet in woorden vatbaar is. Maar ik ga het toch proberen. Nadat de basis zo’n uren aan een stuk heeft staan koken, liever langer dan korter, halen we in geval er sprake is van soepvlees, het vlees eruit met een prikker en schikken we dat zorgvuldig op een bordje in de buurt van het kookfornuis. Dit doen we uit ergonomisch standpunt. Het bord mag gerust verder liggen maar dat bemoeilijkt het overbrengen. Houdt altijd rekening dat we hier met gloeiendhete materie te maken hebben, dus hoe minder afstand er nodig is om het prachtig gekookte vlees te leggen, hoe beter. Dit vlees kan later op de avond gebruikt worden om stukjes van te snijden als troostvoedsel terwijl je naar de miserie van de wereld tijdens het journaal aan het kijken bent. Dan nemen we een andere pot en zetten daar een vergiet in. Een vergiet is vakjargon voor een pot die lek is. We kappen daar de basis in waardoor de groentjes in het vergiet achter blijven en het smaakvolle vocht in de pot eronder terecht komt. Alzo scheiden we de wegen van het vocht met de smaakmakers. Noteer dat ik hierbij geen gebruik gemaakt heb van een bus met peper of zout.

De pot wordt dan snel eventjes afgewassen met een sponsje en wat water. We spoelen hem goed uit en vervolgens drogen we de buitenkant af met een oude vaatdoek. De binnenkant hoeft niet gedroogd te worden want deze moet toch terug gevuld worden met de groentjes waarvan we soep gaan maken. Keil het er maar gewoon in. Heb daarbij geen schrik. Alles komt in orde. Dan overgieten we het met het smaakvolle basisvocht, we laten de boel terug opkoken en indien je nog niet beginnen lezen bent in een boek is het nu misschien het moment om ermee te beginnen terwijl je wacht tot alles gaar is. Dat mag een vrolijk boek zijn, maar ook een wetenschappelijk onderbouwd boek. Beide zijn mogelijk. Als dan alles gaar is, reken na zo’n half uur tot drie kwartiertjes, haal je de soepmixer boven. Indien het een nieuw model is dat je kunt aansluiten op het elektriciteitsnetwerk, doe dat, anders zorg je er voor dat er voldoende brandstof in de tank zit alvorens hem op te starten. Wat doet een soepmixer? Wel, die doet wat wij met het mes in de blote hand niet kunnen, namelijk alle groenten tot moleculaire deeltjes versnijden. Sommige professionele kok beweren dat je daarna de soep moet ziften, maar dat vind ik onzin. Al die vezeltjes zijn juist goed voor het lichaam en de geest. Het enige dat het soepje nu nog kan gebruiken is wat knabbeltjes. Een soep zonder brokjes is enkel goed voor hoogbejaarde mensen waarbij de bijt- en slikreflex niet zo goed meer functioneert. Deze brokjes worden ook heel sjiek “garnituur” genoemd. Dat mag alles zijn wat je nog van overschot liggen hebt en niet weg wilt smijten: de prei, de selder, de wortels, de ui, maar ook nieuw gemaakte dingetjes als gehaktballetjes, in ruitjes gesneden kruidenflensen of gewoon wat gebroken stukjes goudbladeren die je nog ergens liggen hebt. Nogmaals: niets wordt weggesmeten in een goede keuken en zout is de pornografie van de keuken uit een slecht gezin.

Beweeg, leef en bewonder

Als ik al eens een wandelingetje pleeg te maken dan wil ik dat best goed doen. Geen half werk. De benen van onder het lijf lopen maakt als spreuk op dat moment deel uit van het huidige moment. Ik doe dat zorgvuldig. Men zal mij geen overhaaste sprongen zien maken of beurtelings een koprol tentoon stellen. In het slechtste geval, en dan spreek ik op een droevige maandag als ik met het verkeerde been uit bed gestapt ben, maar dat kan evengoed op een vrolijke donderdag zijn met een piccobello beentje, wil ik wel eens een misstap begaan. Dan struikel ik over mijn eigen benen of een minuscuul steentje op de weg. Als kind had ik niet veel kwaliteiten, maar struikelen kon ik als de beste. Een valavond had in ons gezin een gans andere betekenis dan bij de buren. De ene wonde was nog niet genezen of er kwam een nieuwe bij. Op den duur begon mijn moeder een datum op mijn pleisters te schrijven om enigszins een overzicht te bewaren. En je zou denken dat een mens naarmate hij een ruimschoots aantal keren hetzelfde heeft meegemaakt, daar vanwege pure overmacht een zekere professionele gratie in verkrijgen zal, niets is minder waar. Het tegendeel zelfs. Hoe meer ik viel, hoe lomper het ging. Bij familiefeestjes werd ik in plaats van een liedje te zingen of een versje voor te dragen simpelweg verzocht om nog eens een valpartijtje te maken. Zo tussen twee troevewiezenspelletjes was dat wel eens een welgekomen afwisseling.

Tegenwoordig heb ik dat niet zo vaak meer, dat vallen. Ik doe daar niet nostalgisch over. Misschien is dat ook zoiets waar je kunt uitgroeien. Het mag wel. Ik ben blij dat ik ervan af ben, hoewel ik mij helemaal niet anders voel als toen. Hoewel… Een Eskimo kan je de verschillen tussen tientallen verschillende soorten sneeuw uitleggen. Welnu, ik ga er prat op om hetzelfde met schaafwonden te kunnen. Eigen schaafwonden, wel te verstaan, want ik kan geen bloed zien bij anderen. Kom dus niet af met jullie eigen wonden. Niemand zou het mij nageven, maar er schuilt wel degelijk een uitmuntend sprinter in mij als me daar een goede reden voor gegeven wordt. Zonder een geldige reden beweeg ik liever niet extravagant. Dat heb ik altijd al gehad. Wat dat betreft stroomt er nog altijd dat beetje Hollands bloed doorheen mijn aderen dat van langs mijn moeders kant is doorgegeven. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg!” Op school waren de turnlessen dus niet aan mij besteedt. Ik zag er simpelweg het nut niet van in. Een turnleraar hoefde daar met mij niet over te discussiëren.  Dat wisten ze. Het gebeurde wel eens dat in het begin van zo’n schooljaar een nieuwe leraar mij het lesje wou spellen, maar ik praatte ze allen onder tafel met het gemak van Einstein die in discussie gaat over het getal Pi met de man die op het einde van een groots opgezette stoet waarin paarden zijn betrokken de emmer en de schop hanteert om de accidentjes van de dieren weg te halen. Er is namelijk een reden waarom iemand turnleraar wordt en niet wiskundeleraar of leraar Aardrijkskunde. Dat had ik al vrij snel door. Tegen iemand als ik, die het altijd van zijn intellect gehad moest hebben, eerder dan zijn fysieke kracht of laat staan nog maar mogelijkheden, is zo’n man niet opgewassen.

“Vandaag gaan we zo snel mogelijk van de éne kant van de zaal naar de andere kant lopen en weer terug. Vijf keren achter elkaar.”
“Pardon? Mag ik dan ook vragen waarom?”
Vervolgens heb je een gamma van mogelijke antwoorden, die recht evenredig zijn met het intellect van de leerkracht.
Eén: “Omdat het goed is voor je.”
“Goed? Ik loop honderd keren meer kans op blessures en kwetsuren als ik daar aan mee doe, dan als ik gewoon hier op dit bankje blijf zitten. Gaat u mij dagelijks de notities van mijn klasgenoten naar huis brengen zodat ik de leerstof kan bijhouden? En van welke klasgenoot zou u dat dan doen? Ik vertrouw niet iedereen daarin.”
Twee: “Omdat je er sterker van wordt.”
“Wat bedoelt u juist met sterker? Sterker in het leven of in omvang? Wat ben ik met krachtige spieren als ik niet weet waar Brussel ligt of regen vandaan komt? Of bedoelde u misschien beter? Dan begrijp ik de redenering nog steeds niet. Hoe kan ik een maatschappelijk beter mens worden als ik deze oefening doe?”
Drie: “Dat is goed voor je conditie.”
“Mijnheer, ik fiets elke dag een dik half uur door weer én wind naar deze school om hier hopelijk wat bij te leren dat ik kan gebruiken om later aan werk te geraken. De meeste van mijn klasgenoten worden met de wagen gebracht. U zie ik ook elke dag een parkeerplaats zoeken. Wie van ons heeft hier de beste conditie denkt u?”
Vier: “Omdat ik het zeg!”
“Nou wordt ie helemaal mooi! Is dit de levensles die u mij en mijn klasgenoten hier wilt aanleren? Moet ik mij daaraan onderwerpen? Ik ben baas over mijn eigen lichaam. Ik zeg wanneer en hoe het in actie schiet. Niemand anders. Als u daar niet mee akkoord gaat, of als u daar een andere mening over heeft, dan wil ik u vriendelijk verzoeken met mij mee te gaan naar de schoolconsulent alwaar u zichzelf kunt verdedigen waarom u mij verplicht tot fysieke handelingen waar ikzelf niet mee akkoord ga.”

Ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan maar het zou ééntonig worden. Eens de toon begrepen is, verander je best. Het dient nochtans gezegd te worden dat ik enkele jaren een turnlerares had die het wél begreep. Die wist dat ze mij niet op het veld moest sturen tussen mijn klasgenoten voor een spelletje groepssport waarbij een bal betrokken was. Mijn fysieke mogelijkheden kwamen het beste tot uiting op de bank naast het veld. Het samenhorigheidsgevoel binnen de groep versterkte zich alleen maar als ik niet mee achter zo’n bal moest aanlopen.  Hoewel ik fakete dat het een aard had, was ik in hun ogen een geboren supporter. Geen speler. Als er al eens inspectie was dan liet ze mij even meespelen met de rest, maar zo gauw deze lui doorhadden dat ik zowel voor de groepsdynamiek als voor de eigen psychische gezond beter als reservespeler zou functioneren, mocht ik doen alsof ik het ultieme wapen van het spel was, dat alleen ingezet zou worden als 70% van de huidige spelers een blessure hadden opgelopen of gewoon niet waren komen opdagen. Ik was trouwens de enige die altijd, maar dan ook altijd aanwezig was én volledig in orde met zijn sportkledij. Dat was het minste dat ik kon doen. Meer hoefde ze van mij niet te verwachten. Het is dus niet dat ik de dynamiek van de lessen Lichamelijke Opvoeding niet begreep, ik zag er gewoon het nut niet van in om mijn fysieke beperkingen zomaar voor al mijn klasgenoten tentoon te stellen.

Is het niet triestig dat je maar pas de nodige vrijheid en beschikkingsrecht krijgt over je eigen lichaam, als de psyche geschaad is geweest door het stelsel dat wij school noemen? Ik ben realistisch genoeg om te weten dat bewegen gezond is. Het lichaam is een machine dat onderhouden moet worden met voedsel, regelmatig het raderwerk te laten draaien en de kabels op te spannen. Ik beweeg nu zelfs meer dan vroeger. Ik heb er tenslotte de tijd voor nu. Er wacht mij geen huiswerk meer of lessen die van buiten geleerd moeten worden als ik thuiskom. Nu beweeg ik op mijn eigen maat en normen: een rustgevende wandeling, een tochtje met de fiets, een flinke opruimactie met de stofzuiger in het kielzog of losweg het uithoudingsvermogen aanscherpen door alle accessoires in mijn badkamer achtereenvolgens op te frissen. Dat vind ik zinvol bewegen. Daar heb ik iets aan. Als mijn allerliefste virtuele vriendin mij daarbij moest vragen: “Waarom?” dan hoef ik het antwoord niet ver te gaan zoeken. Omdat het leuk is, ontspannend of omdat ik er gewoon mijn leefwereld adequaat en zichtbaar mee kan verbeteren. Zo een uurtje verplicht turnen kan daar niet aan tippen. Als ik tijdens mijn wandeltochten ergens op een grasveldje een groepje zie bewegen onder leiding van een vieze oude snoeper die er nog voor betaald wordt ook, dan denk ik meestal: “Ga het huis toch lekker in een sopje steken in plaats van hier te moeten voor betalen om te doen wat dat stukje egocomplex daar te vertellen heeft. Dat is even gezond, zowel voor je lichaam, je geest als jouw algemene leefwereld.” Ik maak daarbij geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Iedereen is daar vrij in. Als ze maar gezond zijn.

Prachtig krachtig en praal

 

Ik gaf te kennen aan de vrouwen in mijn buurt dat ze met een gerust hart aan de strijk mochten beginnen. Ik deed dit door ostentatief mijn voordeur te openen, even achterom te kijken zoals een Koning over zijn rijk alvorens hij zijn paleis binnentreedt om de nodige besluiten te ondertekenen, een goedkeurende en geruststellende knik te geven aan al mijn onderdanen, en vervolgens de deur kordaat doch met respect voor de veiligheid dicht te trekken. De houtblokken die klaar lagen om gekapt te worden liet ik links liggen. Enkel de grote bijl haalde ik uit het blok om op die manier de weg vrij te maken naar mijn living. Ik had hem ’s ochtends zodanig geëtaleerd als geheugensteuntje voor die avond dat ik nog een stukje te kappen had ter voorbereiding van de winter. Maar een man kapt écht wel beter als hij er zin voor heeft, dus ik hing hem voorlopig tussen de twee daarvoor in de muur geklopte spijkers. Daar hangt ie goed. Ook de fles smeerolie die ik ter herinnering op mijn salontafel had gezet om na het kappen nog wat fijntjes aan mijn stalen ros te prutsen ging terug de kast in. Ik had er geen zin in. Ik checkte mijn voicemail en ontdekte vier ingesproken berichten. Vier vrouwen, zo bleek, die allen in de loop van deze week nog wel eens met mij wouden afspreken. Fijn zo. Ik nam mijn poezenagenda, checkte een paar dagen af en sms’te ze alle vier een dag en een uur terug waarop ze mij mochten zien. Vervolgens zette ik alle geluid van mijn GSM af om verder niet gestoord te worden.

Had ik nog eten? Ik meende van wel, maar ik wist het niet zeker. Jawel, ik zag dat ik nog een entrecote van een 750 grammetjes ergens onderaan in de frigo had liggen. Lekker! Ik pakte één van mijn grote gietijzeren pannen en stak er de vlam onder. Goede boter erin, smelten, schroeien, kruiden, afijn de héle zooi ter bereiding van een goed stuk vlees. Met smaak at ik hem op. Elk stukje dat ik nam schraapte ik over de bodem van de pan zodat de boter volledig benut werd. Op die manier was de pan zo goed als proper alvorens ik hem bij het vaatwerk legde. Net zo praktisch! Ik liet een boertje van welbehagen. Eindelijk tijd nu om te doen waar ik al de ganse dag zin in had gekregen. Een tijd geleden zond de Vlaams-Belgische zender de Sissi trilogie opnieuw uit en die had ik opgenomen. Dankzij de wonderbaarlijke uitvinding van het digitaal kijken is dat opnemen tegenwoordig zo gemakkelijk geworden, dat zelfs vrouwen het kunnen. Op het baren van kinderen na ben ik ervan overtuigd dat alles wat vrouwen kunnen, mannen ook kunnen, dus heb ik deze trilogie voor mijzelf geprogrammeerd. Ik keek er naar uit om ze nog eens terug te zien. Pure nostalgie, dat kan ik je wel vertellen. Mijn moeder, het schaap moest het geweten hebben dat ze nog eens heruitgezonden zouden worden, was daar zot van.

Met een bordje vol radijsjes en kerstomaatjes en een glaasje water begon ik eraan. Rillingen liepen mij over de rug toen de begintune aanvatte. Romy Schneider, inderdaad… Dat was de actrice. Ik kon me haar niet meer herinneren. Wanneer was het? Misschien wel vijfentwintig jaren geleden dat ik de film voor het laatst zag. Wat vliegt de tijd. Ik knipperde wat oogvocht weg bij de outtro van het nummer zodat ik de film beter kon volgen. Het eerste wat mij opviel was dat de film zowaar Duits gesproken is. Verhip! Dat was ik totaal vergeten. In mijn herinnering waren de I-love-you’s en de I-love-you-too’s niet te tellen in die films, maar dat bleek dus niet zo te zijn. Het was ich-liebe-dich’en en ich-liebe-dich-auch’en die er plak zwaaiden. Ach wel… Rammstein zingt ook in het Duits. En ik heb mijzelf ooit eens verdiept in de new-wave gotic-achtige melodieën van de jaren negentig begin tweeduizend. Daar wordt ook een aardig woordje Duits in gesproken, dus waarom niet. Wier zagen das planksken zonder morren.

Wat was ze mooi… Ons Romy. Ik zag metéén dat zij het was. Ze was de énige van de passerende vrouwen die straalde alsof ze net van een schoonheidsboerderij kwam. Een pluim voor de castingverantwoordelijke. Ik had op voorhand al wat opzoekwerk gedaan naar de achtergrond van het verhaal en daaruit bleek dat de echte Sissi, een zekere Elisabeth Amalie Eugenie, dus Sissi voor de vrienden, (waar haalde ze het vandaan!), in haar tijdgeest ook een behoorlijk lekkere meid moet geweest zijn. Ik heb wat foto’s van haar gezien, maar persoonlijk vind ik ze nog niet tot aan de enkels rijken van Romy als het op schoonheid aankomt. Hoewel ik geen enkel gezien heb. Dat heb je natuurlijk wel met zulke films: oude films die over nog oudere tijden gaan. Er schuilt een zekere magie in zulke films die alles tot de verbeelding overlaat. In totaal heb ik zes uren aan filmmateriaal te zien gekregen waar op een paar te hard aangespannen decolletétjes na, (Waarom werden in die tijd de borsten toch altijd zo hard bij elkaar gedrukt? Het waren net kleine platte steenharde kasseien die daar onder hun hals gemetst waren. Een beetje wobbel mag er toch zijn!), niet één glimp van een notie van enige verdere lichaamsbouw te zien was. Uit de fruitschaaljurken van die tijd kan men enigszins opmaken dat het wel zo moet geweest zijn dat vrijwel elke vrouw toen, hetzij vanuit een voedingspatroon dat toen de norm was, hetzij vanuit een genetisch overgeërfde eigenschap, over een achterwerk beschikt moest hebben die de stereotypen van de zwarte vrouwenbillen méér dan tot de verbeelding mogelijk was overtrof. Wellicht tot het schaamtevolle toe! Waarom anders die paraplukleedjes zo in de mode houden. Op de taille na zie je niets van wat voor enige selectie zou kunnen dienen. Maar kom, toegegeven… Dat wordt allemaal méér dan voldoende gecompenseerd met de ongelofelijk prrrrracht van de kleedjes. De ene al mooier dan de andere. Soms wist ik niet waar ik het langst naar wou kijken, naar haar ogen of haar kleed. Hoe ongelofelijk mooi waren die wel niet afgewerkt zeg. De ene lag nog vers in het geheugen of ze kwam al in een andere nog mooiere op het scherm gelopen.

Tijdens de trilogie had je één scène, ik weet niet of het de bedoeling was, het duurde misschien nog geen seconde, waarop ze als Koningin (in wording of niet, dat ben ik vergeten) naar haar volk staat te zwaaien met ontblote schouders en, dit houd je nu niet meer voor mogelijk maar het was werkelijk zo, daarbij zag je, ik zweer het zo waar ik zweer dat ik gezworen heb, een prachtig klein veldje okselhaartjes. Jawel! Geen bos ofzo waar je de bomen niet meer door kunt zien, neenee, een zijdezacht bloemenstruikje als het ware. De adem-, wat zeg ik, ALLESbenemende Halina Reijn mag voor de zoveelste keer volledig naakt het beeldscherm passeren, het zou me minder gedaan hebben dan deze éne seconde van intieme blik op de haartjes in de oksel van Romy. Was het erom gedaan? Was het in de jaren vijftig nog niet de mode om deze te verwijderen? Geen idee… Ik kan mij geen enkele oude film voor de geest halen waarin ik okselhaar te zien kreeg.

Overigens was ik er altijd van overtuigd geweest dat Sissi stierf op het einde van de derde film. Ik had mij dus voorbereid op een einde dat een tranentrekker van heb-ik-jouw-daar zou worden. Mijn knuffelolifantje Huggie en ik kijken altijd samen naar de televisie. Dat doen we al jaren. Samen zijn we zo een beetje de Ernie en Bert van de TV-kijker. Ik wou voor zijn ogen mij niet laten kennen als iemand die in tranen zou uitbarsten bij de sterfscène van een Sissifilm. Ik weet wel, ik had hem kunnen omdraaien, maar zo ongevoelig ben ik dus niet. In plaats daarvan zocht ik enkele dagen eerder uit hoe de échte Sissi aan haar einde kwam zodat ik het in de film ruimschoots zou zien aankomen. Genoeg op tijd om mijn dissociatie in gang te laten treden. Maar dat was dus niet nodig. De trilogie eindigde met een eerder vrolijke noot die ook als tragedie kan opgevat worden. Briljant gedaan moet ik zeggen. Toen ik de film vijfentwintig jaren geleden zag bestond het internet nog niet. Om uit te zoeken hoe het leven van de echte Sissi eruit zag moest je al naar een bibliotheek gaan. Een opgroeiende jongeman had wel wat anders aan zijn hoofd. Ik moest leren hoe de verbrandingscyclus van een vierslagmoter in elkaar stak en waar op het hout je percies de bijl moest laten neerkomen om met één slag erdoorheen te geraken.

Lekker lapje fietsen

Gisteren heb ik eens meegereden aan de duizend kilometer wielrennen ten voordele van de actie Kom Op Tegen Kanker. Men kan het mij verwijten met de woorden: “Wat heeft die gast tegen kanker zeg!” Maar dan geef ik graag en grif toe dat het één van mijn vooroordelen is die ik niet graag opgeef. Ik hou niet van kanker, punt andere lijn. Alles wat ik erover hoor lijkt mij niet leuk te zijn. En een gedoe! Jeetje… Ik ben iemand die op een zondagmiddag graag met een boekje in de zetel wegzinkt in de buurt van een tasje koffie met honing en melk. Dat mag cafeïnevrij zijn of niet. Daar ben ik nog niet uit. Ik zit in een fase waarop ik de twee eens naast elkaar wil vergelijken. Het leven blijft uiteindelijk één groot avontuur. Om maar te zeggen, ik heb wel wat beters te doen dan naar het ziekenhuis te gaan om alweer een behandeling te ondergaan of één of andere diagnose te laten bevestigen. Sommige mensen houden niet van haring, winkelen of okselhaar, welnu ik houd niet van kanker. Daarom dacht ik gisteren: laat ik eens een eindje meerijden. Dat leek me wél leuk. Elke gelegenheid die ik krijg om een bende bikequeens op de fouten van hunner wegen te wijzen neem ik graag en met beide handen aan. Want laat me duidelijk zijn, het enige dat ik op dat moment gemeen had met de massa was onze aversie voor kanker. Afijn, daar ga ik van uit. Misschien is het wat naïef om te denken dat er geen andere factoren een rol konden spelen bij die rakkers. Ik ben alleszins niet naïef genoeg om mij daarover nog te kunnen verbazen. Het vergt al een speciale soort mentaliteit om je als man op zo’n manier te kleden dat het misschien puur voor de lol kan zijn ook, dat ze meededen. Een soort mannen-onder-onsje waarbij men bobbels kan vergelijken zoals vrouwen onderling doen over schoenen. En is er een betere gelegenheid om dit te doen als bij een rondje fietsen ten voordele van Kom Op Tegen Kanker? Ik dacht het niet. Mij niet gelaten. Ik heb me al in vreemdere milieus bevonden.

Eigenlijk was het die ochtend niet mijn intentie geweest om mee te doen. Meer nog, ik wist niet dat er überhaupt iets te doen was. Zoals steeds ben ik de laatste die te horen krijgt dat er een evenement in de stad mijner hoofdtoilet te doen is. En zo hoort het ook. Anders maak ik mij daarover alleen maar zenuwachtig. Ik kreeg al iets in het schuitje toen ik naar de supermarkt reed om mijn boodschappen te doen. Dat is een activiteit die ik graag zo vroeg mogelijk doe. Liefst nog vóór supermarkt open gaat, maar dat is mij nog niet gelukt. Op zo’n vroeg uur is het niet normaal om te moeten wachten op een stoet van gemotoriseerde politieagenten alvorens ik de straat kon oversteken. Moest ik het gewild hebben, ik zou nog nét voor hen tot aan de overkant geraakt zijn, maar ze zagen er zo knudde uit in hun dikke kostuumpjes bij zulk warm weder dat ik ze uit compassie maar heb laten voorgaan. Ik kan een lieve jongen zijn als ik dat wil. Ze maakten bovendien een hels lawaai met die brommers waarop ze reden zodat ik ook zoiets had van: Er ligt in deze straat misschien ergens een bijzonder mooie, schrandere en lieve vrouw te slapen met niets meer aan dan een fijn met bloemetjes versierd bordeauxrood kanten slipje, as they brom, zodat die mannen maar liever zo rap mogelijk met hun klikken en klakken passé zijn om haar niet wakker te maken. Je weet maar nooit. Die mannen trokken hun dat klaarblijkelijk niet aan, maar ik wil zoiets niet op mijn geweten hebben. Het was misschien wel mijn toekomstige teerbeminde die daar lag. Ze leek er alleszins wél op in mijn gedachten. Zachtjes zette ik mijn fietstocht verder. Op dat moment wist ik nog steeds niet wat er gaande was.

Na vriendelijk en ietwat (nog steeds) verlegen (op mijn leeftijd!) een prettig weekend gewenst te hebben aan de nieuwe kassabediende, een jobstudente volgens mij, rekkerde ik mijn stoere shopping-bag op het bagagerek van mijn fiets vast en vervolgde mijn tocht naar de zaterdagmarkt van de Grote Markt. Curieus keek ik naar de dranghekken langs de kant van de straat. Ik fiets daar wel vaker maar nog nooit hebben ze dat daar voor mij neergezet. Wat aardig van ze, dacht ik. Dat hadden ze nou niet moeten doen. Het beloofde een snikkend hete dag te worden dus er was geen tijd om een traantje van ontroering weg te pinken. (Hebben jullie hem door? “snikkend heet” en “een traantje wegpinken”… Briljant!) Ik moest zo snel mogelijk terug thuis zien te geraken vooraleer mijn zweet zou doorbreken tot ik een modderfiguur sla. Toen ik de Grote Markt naderde zag ik één schijnbaar georganiseerd chaos. Midden op de Grote Markt had men een hoopje bikequeens samengedreven. Wellicht voor de eigen veiligheid. Rondom hen zag ik tientallen gemotoriseerde politielui (zoals het hoort) en daar nog eens rond (gelijk de schillen van een ui?) zag ik publiek staan. Een vlugge blik liet mij meteen opmerken dat het uitgerekende DIE familieleden waren van de samengedreven groep waarvan er élke familie wel één van heeft. Geen wonder dat ik ze zag popelen om te vertrekken. Maar ze mochten nog niet. Een man met een pistool hield ze tegen. Ze doen maar dacht ik. Leven en laten leven. Gelukkig had dit evenement niet tot gevolg dat ik moest gaan zoeken naar mijn favoriete vleeskraam. Het stond daar waar het altijd stond: mooi in de schaduw van een historisch gebouw. Dat paste perfect bij mijn plannen, want ik ging het voedsel van mijn voorvaderen kopen: goeie dikke lappen vet spek. Of dikke lappen goed vet spek zo de lezer het zelf verkiest. Misschien heb ik hier even wat achtergrond te geven bij deze situatie. Momenteel ben ik aan het lezen in het boek “Eten op zijn Vlaams” van Louis Paul Boon, schrijver van één van mijn favoriete boeken “De Kappellekensbaan” maar ook auteur van enkele erotische werkjes. Welnu, wat hij doet met die erotische werkjes doet hij culinair met “Eten op zijn Vlaams”. Mijn lippen werden zowaar vochtig bij het lezen van dit literaire kookboek. Een documentaire op TV heeft mij onlangs een beetje schrik doen krijgen van alle bewerkte vleeswaren zoals (jawel) spek, sausissen, gerookt vlees, salami, charcuterie en weet ik niet wat voor vleessoorten er nog allemaal zijn op dit moment. Bedankt Louis om het allemaal in zijn perspectief te brengen en goed bewerkt vlees in waarde te herstellen. De oma van mijn vaders kant die van “den buiten” kwam zag ik terug voor mijn ogen haar bordje proper maken door er met haar duim in te strijken. Met mijn spek in een plastieken zakje, de handvaten van het zakje stevig rond mijn pols, ging ik terug naar mijn fiets. Zo gauw als mijn goed gereinigde zitvlak het zadel van mijn fiets raakte hoorde ik een knal op de achtergrond en zag ik iedereen zenuwachtig worden. Het zal toch niet waar zijn? Jawel, we spreken hier Geluk-à-la-David op een bedje van Murphy. Heel eventjes wou ik er mij niets van aan trekken en gewoon vertrekken zoals ik van zins was. Ik ken echter voldoende van de psychologie van groepen om te weten dat ik mij niet als een rebel wil gedragen in een massa van gelijkgezinden. Gedwee liet ik de massa bikequeens dan maar passeren. Zo maken ze ook weer eens wat mee, dacht ik bij mezelf. Toen ik de laatste duts naderbij zag komen plande ik het snode plan om er snel achteraan bij in te fietsen. Als dàt de boel niet kon opfrissen? Een mooier voorbeeld van échte historische oude Vlaamsche wielerkunst is niet denkbaar: in groep fietsen met een stevige loodzware fiets, een doordeweekse korte broek, echt beenhaar, een hemd met korte mouwen, echt borsthaar en een zakje goeie dikke lappen vet spek aan het stuur. Ernest Claes had het moeten zien! Op deze en geen andere manier is de wielersport uiteindelijk ontstaan hier in Vlaanderen. Zo zou het nog steeds moeten zijn. Met z’n allen zo rap mogelijk naar de eindstreep vooraleer het spek ranzig begint te worden van de temperatuur. In mijn geval blijft het spijtig dat daar geen vrouw staat te wachten met een braadpan op het vuur, maar okay… Alleen zijn heeft ook voordelen. Die braadpan dient bij mij alléén maar om te braden en bakken.

De supporters zagen metéén wat mijn bedoeling was. Allen knikte ze goeddunkend mijn richting uit. Velen van hen zagen misschien voor het eerst een échte fietser meedoen met dit soort spelen. Ik glimlachte naar hen allen om te laten merken dat ik het niet erg vond, dat ik een man van de wereld was, dat ik het begreep. Na honderd meter sloeg de groep een zijstraat in. Ik wou rechtdoor fietsen. Ruim op tijd deed ik teken naar de politieagenten die de groep in die bocht in goede banen moest leiden. Ze zagen meteen dat ik gestudeerd had en lieten mij passeren. Thuis gekomen en op de bank gelegen was ik tevreden dat ik mijn plicht gedaan heb als goede burger. Ik heb niet alleen de maatschappij een spiegel voorgehouden over sommige rare denkwijzen die er zijn ingeslopen, maar ik heb ook mijn steentje bijgedragen in de strijd tegen die ziekte waar ik zo’n hekel aan heb.

Dag vreemde man

Grappig… Op zoek naar een leuk begin om deze tekst te starten nam ik mijn vertrouwde Google in handen en zocht op het woord “mannen”. Het is altijd wel eens leuk om zomaar eens een van de pot gerukt woord in Google in te typen om te kijken waar je uitkomt. Blijkbaar is mijn soort- en naamgenoot dé David van Michelango het toonbeeld van mannelijkheid op het wereldwijdse web. Vermits mijn ego zich noodgedwongen moet vastklampen aan elk beschikbaar en/of mogelijk compliment, reëel of verzonnen, hecht ik hier veel waarde aan. Het had erger gekund. Eerlijk gezegd verwachtte ik bij biercommercials terecht te komen. Schijnbaar toonbeelden van mannen met dagenoude stoppelbaarden die al even lang met een schamele kano en een door de tand des tijds  versleten roeistokje een wildwater rivier trotseren. Je wilt daarbij niet weten hoeveel volksstammen er in die rivier hun behoeften hebben gedaan vooraleer al dat water zich heeft gesetteld beneden in dat diepe dal alwaar hij vermoedt dat de blikjes er van nature uit gefrist worden. Waarom zoekt hij geen werk zodat hij ze gewoon uit de frigo kan pakken? Het maakt niet uit. Deze sneu van een man grijpt met zijn machtig gespierde arm naar de bodem van de plas (water, plas en beer), haalt een blinkend stinkend klinkend blik bier boven, aanschouwt dit wonder van zijn doorzettingsvermogen met dezelfde trekken in zijn door de zon gebruinde gelaat als toen hij ontdekte dat hij met de spreekwoordelijke hakken over de sloot (51%) alsnog naar de diploma-uitreiking van het lager onderwijs mocht gaan, trekt aan het lipje van het blik alsof het de panty was van Carice van Houten die in één van haar speelse buien besloot om hem dan maar te nemen omdat er geen betere exemplaren in de buurt zijn en hij al zolang ligt te zeuren, brengt het blik naar zijn forse op  miraculeuze wijze ongekloven lippen, slaat zijn hoofd achterover en laat met zichtbaar genoegen het voosgele schuimde vocht doorheen het open gaatje van deze trofee zijn keelgat binnen stromen. Dat is dan ook meteen het einde van deze shot. Daarna krijgen we een paar mooi gestapelde blikjes te zien onder het logo van het bedrijf dat voor deze spot betaald heeft. De man zelf laat op de achtergrond een ructus die de permanent van zijn make-up dame compleet verwoest.

Ik ben nooit een meeloper geweest, maar als de David van Michelango de norm is dan draag ik graag deze naam. Wel spijtig dat ik er nog niet half toe aan geraakt. Normen zijn niet aan mij gespendeerd. Ik maak ze zelf wel. Hetzij noodgedwongen, hetzij uit vrije willekeur. Gisteren bijvoorbeeld kocht ik een vis. Een schone vis. Zo eentje met kop noch staart. En als groente daarbij stak ik een busseltje asperges in mijn shopping bag. Méér mannelijk dan dat kan het niet worden in mijn leefwereld. Voor mensen die mij willen pakken op mijn shopping bag, laat mij daarbij zeggen dat ik een uitzonderlijk mannelijke shopping bag heb. Een paarse met twee flinke stevige stokken als handvat en met grote letters “SHOPPING BAG” erop geschreven zodat iedereen ziet dat deze tas voor boodschappen bedoeld is en niet voor naaldhakken, make up of maandverbanden. Gewoonlijk heb ik scheergerief, een flinke houtmoer en een corset voor mannen op leeftijd insteken maar deze keer dus niet. Het woord “praktisch” begint niet voor niets met de “p” van ploegen (wat nog steeds een uitgesproken mannelijke activiteit is). Als een man om eten gaat, dan maakt hij daar plaats voor in zijn shopping bag. In het verlengde daarvan maak ik, eens thuisgekomen, de weg vrij naar mij keuken alwaar ik ostentatief voor alle vrouwen die mij ook maar konden aanstaren (ik heb een ruit in mijn keuken die uitkijkt op een paar appartementsblokken) de vis op tafel en de asperges er naast. Voor die asperges moest ik nog flink uitkijken want hoewel ik zonet schreef over een busseltje asperges waren ze in feite los gekocht. Het meisje van het groentekraampje vroeg mij hoeveel een bussel was want ze lagen zomaar los in de groentebak, weliswaar mooi gesorteerd. Ik wist dat ook niet. Ze moest nog aan haar baas vragen wat juist het equivalent was van een bussel, de schat. Hij verklaarde daarop met mannnelijke stamina: “Een halve kilo.” Eens uit de papieren zak moest ik dus zien dat ze niet van mijn tafel rolde. Zo gauw die veilig lagen slaakte ik een rauwe mannelijke kreet van welbehagen en liet daarbij niet na mijn vuisten gebald voorheen mijn none-pack een paar keren op en neer te bewegen. Als er vrouwen keken,  dan wisten ze ondertussen wel waar ze aan toe waren.

Ik waste en schilde mijn asperges met de zorgvuldigheid die de mannelijkheid volgens mijn norm eigen is. Ondertussen liet ik water koken om de schelletjes van de asperges in te laten koken. Asperges koken in zuiver water is een beetje zonde doen aan de ijdelheid van deze groente. “Zo weinig mogelijk wegsmijten en zoveel mogelijk gebruiken!” dat is de leuze van de brousse. Daarom zorg ik er voor dat eerst alle smaakstoffen van de aspergeschelletjes in water terecht komt door ze er een half uurtje in te laten koken, alvorens ik dat “water” gebruik voor de échte asperges. Op die manier heb je geen smaakverlies. Echte mannen houden van hartig voedsel, onthoudt dat. Voor de vis vulde ik eerst een schaal met échte bloem zonder te zeven. Zeven is voor mietjes. Deze mengelde ik met dezelfde soort kruiden als waar vierhonderd jaren geleden stoere zeemannen een reis naar de andere kant van de wereld voor maakte: dé peperbol en het nootmuskaatje. Met een ongepedicuurde doch propere hand liet ik de vis doorheen deze kruidige mengeling gaan. Daarbij keek ik niet op een propere tafel. Mijn verstand was gericht op het eindresultaat en niets anders. Een ridder kijkt ook niet achterom om te zien of zijn paard de weg niet vervuild heeft. De vis was klaar om gebakken te worden. Al de vrouwen die dit alles aan het volgen waren zat nu wellicht tegen het puntje van hun tafel geschurkt. Ik pakte een pan die de grootte van mijn vis zou kunnen bevatten. Je moet nooit voor kleiner gaan. Dat heb ik ondertussen al wel geleerd. Een klont kokosolie liet zich welgevallen in deze pan en smolt als Barbie voor Ken bovenop het vuur. De vraag kan gesteld worden: “Gij daar, die daar staat te pronken met uwen testosteron, is kokosolie wel mannelijk?” Jazeker is dat mannelijk, want het bevat verzadigde vetzuren. Nu gij. Het is trouwens allang niet meer van deze tijd om te denken dat het de verzadigde vetzuren zijn die het hart en de bloedvaten doet dichtslippen. Daar zijn meerdere onderzoeken naar gedaan. Terug naar de vis. Deze liet zich maar al te graag bakken. Een visje in goede handen zal nooit protesteren om te pruttelen in een braadpan als het zich veilig en geborgen voelt.

En terwijl dit alles zo lag te pruttelen en te garen gingen mijn gedachten zoals bij zovele mannen vóór mij naar de zin des levens. Waar staan we? Hoe zijn we zo ver gekomen? Waar willen we nog naartoe? Hebben we voldoende bereikt in het leven? Hoe kunnen we het nog verrijken? Ik zou sportiever kunnen zijn. En het avontuur meer opzoeken. Risico nemen. Grenzen opzoeken en aftasten. Ik ging naar mijn slaapkamer, haalde een gemakkelijk zittende joggingsbroek uit de kast en trok die aan. Dat was sportief genoeg. En voor al het andere haalde ik een fles rode wijn van mijn keukenkast en ontkurkte die met een guitige blik in mijn ogen. Ik schonk mij hier een goed glas van en terwijl ik al het eten naar de eettafel bracht proostte ik naar al de vrouwen die mijn avonturen van vandaag alweer hebben mogen meemaken. Ik dankte ze voor het kijken wenste hen nog een prettige dag verder. Vervolgens trok ik mij terug in de foyer van mijn living alwaar ik smakelijk het stukje vis, de asperges en de rode wijn mijn mond liet binnenglijden. Zoals steeds lette ik daarbij op mijn tafelmanieren. Het wil niet zeggen dat niemand je in het schuitje heeft, dat je daarom niet netjes kunt eten. Ik ben een echte man en volgens mijn normen  doe je dat vierentwintig uren per dag. Niet alleen als er vrouwen kijken.

Pussy en Picky

Ik heb een nieuwe hobby. Het klinkt vandaag de dag misschien een beetje decadent, maar ik ben op een leeftijd gekomen waarop de relativiteit van de dingen relatief is geworden. Ik zou gerust iets anders kunnen doen, zoals bijkomend onderzoek naar een geneesmiddel voor kanker, op zoek gaan naar nieuwe bedreigde diersoorten, foto’s maken van een milieuvervuilende activiteit, tussenbeide komen waar huishoudelijk geweld plaatsgrijpt, met een grote vuilniszak de straten van mijn stad bewandelen om al het restvuil op te rapen, lieve troostende woorden toefluisteren aan elke vrouw die met recht en reden haar emoties van verdriet niet meer de baas kan, een boek schrijven dat alle religies (non-religies inclusief) met elkaar ontegensprekelijk in liefde voor elkaar verbindt, een economisch systeem bedenken waardoor armoede op wereldvlak voor eens en voor altijd van de baan is, een mooie bloem uitkiezen en deze stiekem in de borstenhouder van de onderbuurvrouw steken die hangt te drogen aan haar wasdraad en het maakt niet uit wat nog allemaal… Voor zolang het maar op fietsafstand van mijn woonplaats is, behoort het tot de mogelijkheden van mijn levend bestaan. Fietsafstand is het sleutelwoord want mijn Ferrari ligt in de was. Ik bedoel maar, dit zijn activiteiten die er werkelijk toe doen. Ze zouden mijn status als mens danig verhogen. Maar ik ben geen hoogvlieger. Ik blijf liever met beide voetjes op de grond, dus mijn nieuwe hobby is even aards als het uitdagend is.

Geen enkele vrouw moet zich tekort geschoten voelen als ik zeg dat mijn nieuwe hobby er eentje is waarvoor je de nodige ballen moet hebben. Probeer mij niet na te apen als je niet over enige psychoanalytische achtergrond beschikt of tenminste een aangeboren persoonlijkheid hebt die ergens het midden houdt tussen Rambo en Mahatma Ghandi. Deze nieuwe hobby van mij maakt geen slachtoffers, maar het kan je wel speels over de grens van de wanhoop brengen als je niet op tijd een grens trekt tussen de realiteit en een situatie waar post-traumatische stress zich onder jouw huid nestelt als de eitjes van een stekebeest wiens larven via het bloed naar je hersenen gezogen worden, zich voeden met de kwabben tot ze de lekkerste gedeeltes ervan langsheen hun achterste weer in jouw bloedbaan hebben gestuurd waarna ze besluiten dat het tijd is om te vertrekken via de nooduitgangen langs de zijkanten van je hoofd.

In de eerste plaats is het vooral een uiterst erotische hobby die draait rond het oernatuurlijke fenomeen van het spel tussen man en vrouw. Daarnaast steekt het vol met multirelationele intriges en achterklap. Je moet met zoveel individuele eisen rekening houden dat het soms lijkt alsof je de pater familias bent van een oer-Vlaams katholiek gezin in een tijd waar kindertjes krijgen nog iets heiligs was. En hier schrijf ik ineens zonder het te beseffen één van de kernwaardes van het spel op. Hoewel je op het eerste zicht het niet zou zeggen vanwege de relaties die elke unieke deelnemer kan leggen, is het toch in zijn totaliteit op een katholieke moraal gebaseerd spel; een kwestie van de juiste euh… sorry voor mijn taalgebruik, maar ik kan het niet anders verwoorden… het spel is gelijk het is… picky’s in de daartoe behorende pussy’s te steken. Ik weet het, we leven in moderne tijden waarin we de liefde tussen mannen onderling en vrouwen onderling niet meer moeten nastaren maar dit spel heeft zich daar nu eenmaal nog niet aan aangepast. Een beetje spijtig weliswaar, omdat ze daar toch een groot marktaandeel kwijt zijn, maar ik geloof niet dat het technisch mogelijk zou zijn om twee pussy’s in elkaar te haken, laat staan picky’s.  Moest het ooit uitgevonden worden, ik zou het zonder enige terughoudendheid uitproberen, maar dan hoop ik wél dat ze dezelfde hechtingskracht voorzien als waar ik nu het éne picky in het daarvoor gemaakt pussy weet te steken. Volgens mij biedt voorlopig alleen maar dit biseksuele systeem deze houvast.

Maakt deze seksuele eentonigheid het spel enigszins saai? In verre van! In uitzondering van de muurbloempjes  heeft élk stukje het in zich om met vier andere stukjes het hof te maken. Voor dit spel werd namelijk de biologie heruitgevonden. In plaats van zich te beperken tot de tweeslachtigheid die wij kennen in het dagelijkse leven, kortweg door de bocht genomen: man en vrouw, heeft men voor dit spel verschillende bijkomende geslachten uitgevonden. Eén stukje kan namelijk vier pussy’s hebben, of vier picky’s, of één pussy en drie picky’s, of twee pussy’s en twee picky’s, of drie pussy’s en ga zo maar door. Je zou kunnen denken dat het resultaat van al deze pussy’s en picky’s bij elkaar uiteindelijk één grote bol van geslachtsgemeenschap gaat opleveren. Dat is dus niet zo. Daarin schuilt het vernuft van dit hele spel. Daarom heb je de stalen zenuwen nodig om het spelen. Elk picky past namelijk maar in één pussy. Hoe spijtig ik daarmee een deel van mijn lezers zal teleurstellen, toch is het zo. Ik liet daarnet al weten dat het een oerconservatief spel is. De onder de huid liggende moraliteit waar ze ons te midden van al deze seksuele anders geaardheden fijntjes mee confronteren is niet mals. Maar ach… Je kunt niet alles hebben. Ikzelf vind het wel overzichtelijk zo. Mijn bindingsangst vaart er wel bij. Op die manier is het trouwens veel makkelijker om een patroon vast te leggen.

Het patroon waar ik mijn eerste spel mee gemaakt heb, was trouwens de unieke, over-the-top mooie en altijd voor een harteklop vatbare Marilyn Monroe. Voor iemand anders zou ik het niet gedaan hebben. Hoe beter dan het spel van de pussy’s en de picky’s aan te leren als met haar. Nooit eerder ben ik zo met haar uiterlijk bezig geweest. Elke centimeter, wat zeg ik, millimeter van haar bijzondere gezichtje heb ik mogen en moeten bestuderen om dit project te beëindigen. Wat een héérlijke klus. Het is als aan een kind vragen om te spelen. Tuurlijk wil ie dat. Niets liever zelfs! Hoewel er momenten waren, dat geef ik grif toe, dat de wanhoop mij op de lippen stond, dat ik een massa aan picky’s had maar geen enkele pussy vond om er één ervan in te steken, dat ik naar de contactgegevens van de fabrikant op de doos zocht om daar naartoe te bellen met de klacht dat ze (een vloek die ik enkel uit als ik alleen ben) één van stukjes niet bijgeleverd hadden (maar niet gedaan uit schaamte), toch heb ik volgehouden. Telkens als ik zulke laagtes bereikte dacht aan mensen met andere hobby’s. Geen enkele andere hobby bezit het voordeel dat je jezelf daarbij blind moogt staren op de allermooiste Marilyn. Ik prijsde mij dan gelukkig. De eerste keer dat ik één van haar ogen gemaakt had, haar twee ogen aan elkaar heb kunnen koppelen en dan haar neusje eronder, waarom niet. Als kers op de taart had je dan haar mond met die gloeiendvuurrode lippen. Dit alles mocht ik afwerken met glanzende blonde haren, een hals om teder te besnuffelen en een héél klein beetje décolleté als teaser. (De puzzel stopte daar enigszins abrupt.) Daar stond ze dan. Blinkend op de tafel in mijn salon. Na al die weken… Groter dan echt. Hoe fijn is het nu om met de toppen van mijn vingers over het werkstuk te gaan. Elke stukje, elke ronding, heb ik verdiend. Het is een dankuwel aan mijzelf om volgehouden te hebben. Niemand heeft me dit ooit voorgedaan in mijn living. Daarom ben ik nu de krak in mijn woonst, de held, de op-en-topper van mijn leefwereld, een graag geziene gast in de talkshow van mijn programma op primetime.

Ondertussen ben ik aan een nieuw spel begonnen. Niemand kan tippen aan Marilyn natuurlijk, dus ben ik aan een regelrechte fantasy-woman begonnen. Het is niet hetzelfde uiteraard. Maar toch… Een stoere flinke deerne met pijl en boog in de handen, daar kan ik naar opkijken. Die kan iets wat ik niet kan. Het machogehalte dat zij in haar pink heeft is groter dan degene die ik in mijn ganse lijf heb als ik er moeite voor doe. Het speelt zich op een ander niveau af. De eerste blijft altijd magisch, doch… Ik doe het met evenveel plezier en frustratie. Het telefoonnummer van de fabrikant is al toegevoegd aan mijn contactpersonen van mijn GSM voor in geval van.

Tokkografie

De lucht was van een Shakespeariaanse grauwheid die ochtend dat ik besloot mijzelf nog eens te wagen aan het braden van een kipje. Hoe lang was het ondertussen ook al weer geleden dat ik dat gedaan heb? Tien jaren? Minstens! Ik weet nog dat ik toen besloten heb om dat nooit, maar dan ook nooit meer te doen. Er bleek namelijk een immens verschil te zijn tussen een kipje braden in een professionele oven van een school of een restaurant en de huis-tuin-en-keuken oven die ik gekocht had toen ik alleen ging wonen. Qua temperatuur had ik geen klagen. Dat deed die prima. Het probleem zat hem in de kip zelf. Bij een temperatuur van pak-hem-beet een honderdtachtigtal graden ontstaan er aan de rand van de kip, zeg maar gerust het velletje, krachtige vulkanische uitbarstingen die bij elke plof een spat gloeiend gesmolten vet het luchtruim in stuurt met dezelfde snelheid als snot bij een plotseling oncontroleerbare niesbui op een moment dat je nét niet op tijd naar je zakdoek kunt grijpen omdat je potdorie op een gevaarlijk stukje weg aan het fietsen bent. Het woordje “lucht-ruim” is in dit geval misschien niet geschikt gekozen omdat de ruimte aan lucht in mijn doe-het-zelf oventje niet van die aard is dat het als ruim kan gelden. De kip, moest die nog in leven geweest zijn en nog steeds een kop, nek, pootjes, vleugels en veren tot zijn onroerend goed mocht beschouwen, zou daar bijvoorbeeld niet simpel in te douwen zijn. Allereerst moet je toch met een zekere weerstand rekening houden dat zo’n beestje zou hebben om in een dergelijke ruimte gestoken te worden. Het zal dan wellicht fladderen met zijn vleugels. En zelfs als je die vleugels zou weten vast te binden, dan nog zou het geen kaas in het bakkie zijn om hem met kop en al erin te steken. Let wel, dit beeld gebruik ik puur om de grootte van mijn oven te beschrijven. De kans dat je mij ooit met een levende kip in mijn handen in mijn keuken zou aantreffen is even groot als de kans dat je er ooit een koe zult tegenkomen. Ik ben een laffe, schaamtevolle vleeseter die telkens toch eventjes van zijn hart een steen moet maken als ik zo’n stukje dood wezen als maaltijd bewerk. Daarom ga ik ook met het grootste respect mee overweg. In mijn keuken zal je geen biefstukken tegen het behang zien plakken!

Terug naar dat vliegende spat gloeiend gesmolten vet… Gezien de grootte van mijn oven is het voor de lezer van dit stukje inmiddels al wel duidelijk dat er geen sprake van kan zijn dat het lang kan genieten van deze vrijheid in het ijle. Metéén nadat de vetspetter uit het vel van de kip gespoten wordt, komt het tegen één van de wanden van mijn oven terecht. Bij deze situatie maakt het in wezen niet uit of we het hebben over de bovenkant, de linkerkant, de achterkant, de rechterkant of wat mij betreft de deur van de oven, de spetter komt sowieso in contact met een stuk materie dat zo mogelijk NOG heter is dan het vel waaraan het is ontspoten. Het gevolg laat zich door iedere chemicus raden: dat spatje spet brandt zich muurvast tegen dit ultra-hete oppervlak. Daar is geen ontkomen aan. Nu is zo’n ovenwand of –deur eventueel met veel geduld en hard schrobwerk nog wel proper te krijgen, maar hoe kuis je in godsnaam het verwarmingselement van de oven? In de geestelijke wereld ben ik misschien niet de meest propere jongen van onze Lage Landen, maar in de fysische wereld gelden er wat mij betreft andere regels. Daar wil ik netheid graag als religieuze norm gepresenteerd zien. Ik wil geen vuile lendendoek rondom het kruis van Jezus aan het kruis gewikkeld zien. Ik wil dat het proper afgebeeld staat.

Dit alles maakt dat ik na deze eerste ervaring van het zelf-gebraden kipje mijn oven niet meer zo vaak gebruikte als daarvoor.  Telkens ik hem nadien nog eens opwarmde voor het één of het ander, rook ik telkens weer mijn eerste kip. Het gelukkig toeval wou nu dat die oven daarna niet lang meer heeft gewerkt. Ik heb met niet geheel wazige ogen waardig van hem afscheid genomen op het containerpark alwaar ik ook de herinnering aan mijn eerste kip er meteen bijlegde. In mijn nieuwe oven zou nooit meer een kip komen! Dat besluit heb ik toen genomen.

Maar we worden allemaal wel wat ouder. En bij het ouder worden, worden de gedachten ook wat milder. De herinnering aan mijn eerste kip was ondertussen tot een gekoesterd avontuur verzoet dat gelijk de film Sound Of Music elk jaar tenminste één keer in mijn geheugen gespeeld werd. Ik vond het spijtig dat ik nooit meer het genoegen van een zelfgebraden kipje zou mogen smaken. Houd deze sfeer in gedachte terwijl dit levensavontuur nog een staartje krijgt! Op een dag zag ik namelijk in één van de honderden rekken van mijn supermarkt ineens een plat doosje staan waarop stond: “braadzakken”. Braadzakken? Wat moest ik me daar bij voorstellen? Ik pakte één van deze doosjes en met een gretigheid waarmee een jongen van dertien zijn eerste Playboy leest las ik de instructies. Het waren blijkbaar plastieken zakken waarmee je vlees kon braden in de oven. Op de foto van de verpakking zag je effectief een heerlijk gebraden kip in zo’n zak. In mijn hoofd maakte ik volgende associatie: “plastiek – hitte – smelten” en “kip – gesloten zak – vochtige lucht – vies wak velletje” dat nooit zo bruin kon worden als op die verpakking stond! Ik trok mijn neusvleugels hierbij op en legde het pakje terug in zijn rek. De weken die volgde kon ik evenwel niet meer naast dit pakje kijken telkens ik mijn boodschappen deed. In mijn hoofd nam het dezelfde fascinatie in als dat éne fotoboek van Marilyn Monroe in de bibliotheek van mijn kindertijd. Er lagen letterlijk duizend boeken maar telkens als ik daar was moest ik dit boek toch één keer in mijn handen gehad hebben. Ik wachtte tot niemand in de buurt was en nam het vervolgens snel vast om gauw tot pagina 34 te bladeren alwaar haar iconische naaktfoto te zien was. Inmiddels was ik natuurlijk al te oud geworden voor zulke kinderlijke fascinatie van welk vlees dan ook, dus uiteindelijk besloot ik dan toch maar om deze braadzakken te kopen. Het pakje heeft een half jaar in één van de schuiven van mijn keuken gelegen. Af en toe herlas ik de woorden van de handleiding nog eens alsof ik mijzelf ertoe mentaal op wou voorbereiden. Tot ik die bewuste ochtend opstond met een zekere frivoolheid in mijn hoofd en het toch eens wou wagen. Ik ging een biologisch kipje halen. Op de ingrediëntenlijst las ik dat deze kip gemaakt werd met prima granen. Het mocht zijn eigen natuurlijke tempo nemen om te groeien met voldoende ruimte in de gezonde lucht. Een kipje naar mijn tand dus. Toen ik hem op mijn aanrecht zag liggen begon ik echter koude voeten te krijgen. Deze kip is misschien té goed voor dit experiment. Zou ik het mijzelf wel kunnen vergeven als ik deze goed doorleefde verse kip zou maken tot een wak zielig excuus van een braadkip? Gebraden in een plastiek zak godbetert! De Heer hebbe mijn ziel! Komaan David! Verstand op nul en doen alsof we weten waar we mee bezig zijn! Alles stak wel een beetje tegen. De kip woog bijvoorbeeld één kilo zevenhonderd vierentachtig kilo terwijl ik maar instructies had voor één kilo. Ook mijn kippenkruiden… In gedachten in de winkel had ik nog een vol potje in mijn kast staan. Bij nader inzien bleek het niet meer dan een bodempje te zijn. Helemaal niet genoeg voor deze kalkoen! Ik zat nog maar in de helft en het potje was al op. Wat nu gedaan? Ik las de ingrediëntenlijst van het potje kippenkruiden en wat bleek? Kippenkruid wordt grotendeels van curry gemaakt. Daar had ik nog genoeg van! De andere helft moest dan maar met currypoeder besmeerd worden. Met een hart dat ik tot in mijn keel voelde bonken van de spanning stak ik de kip in de zak en de zak op een schaal en deze schaal in de oven. Vervolgens nam ik mijn rozenkrans en ratelde hem volledig erdoor terwijl ik mijn ogen op mijn kip gevestigd hield. Ik vertrouwde het voor geen cent! De plastiek vervormde een beetje. Lap, daar ga je het hebben. Die gaat beginnen smelten! Er was geen weg meer terug. Ik besloot te wachten… Meer dan dat beetje bewoog de plastiek niet meer. Na een twintigtal minuten hoorde ik mijn eerste plof. Zoals beschreven op de verpakking bleef het resultaat van deze ejaculatie mooi in de zak. Hoe zalig is dat! Ik was gerustgesteld en ging verder werken aan mijn theorie dat een man met een breinaald even productief kan zijn als een vrouw met een schroevendraaier.

Verhoudingsgewijze bekeken moest mijn kip langer in de oven staan omdat het uit de kluiten gewassen was. Na één uur en veertig minuten waagde ik het erop om hem eruit te halen. Het was erop of erronder. Ik had al de instrumenten klaargelegd die mijn zaalopleiding van vroeger voorgeschreven had om een braadkip te versnijden: een houten plank, een lepel, een vork en een groot demi-chef mes. Héél voorzichtig sneed ik de zak open. Ik had er nog steeds geen goed oog op. Maar wat bleek? Het onmogelijke! In de zak had ik een mooi bruin gebraden kipje met een velletje zo perfect krokant als ik het nog nooit eerder gekregen heb van een kip-aan’t-spit kraam op de markt. Ik heb er geen verklaring voor. Het druist in tegen elke wet van McGuyver, maar het is gelijk het was. Twee dagen heb ik kunnen eten van dé beste gebraden kip die ik gegeten heb sinds mijn moeder nog met liefde kookte in het ouderlijke huis.

Treffend over liefde

Als ik het over liefde wil hebben, dan moet ik er Excel bijhalen. Wat houd ik van dit programma. Het is intelligent, logisch, praktisch, eenvoudig en gecompliceerd tegelijk… Ik herinner mij nog de eerste keer dat ik het opstartte. Dat moet ergens op het einde van de twintigste eeuw geweest zijn. Een groot raster, meer was het niet. Een groot raster met bovenaan wat opties die je bij een andere Officetoepassing ook had. Wat voor zin heeft dat? Ik was Word gewend. Of nee… Beter nog, ik was WordPerfect gewend. Voor degene die WP niets zegt, het is een voorloper (en in vele opties een veredelde versie) van een programma “waar je een brief mee kunt typen”. Word ben ik maar pas beginnen te gebruiken zo gauw het WP-programma nergens nog op wou draaien. Microsoft, de guitige snoodaards, hebben dit programma nooit echt willen hebben. Héél eventjes heeft het onder Windows gedraaid, maar nadien werd het moeilijker en moeilijker om het op nieuwere versies van Bill’s Vensters te gebruiken. Spijtig… Het was mijn eerste liefde op het softwarevlak.

Na WordPerfect heb ik een tijdje liefdeloos wat rondgezeild. Ik ging van het éne programma naar het andere zoals een bij dat met bloemen doet.  Meestal deed ik het veilig. Ik had altijd wel een anti-virusprogramma bij de hand die ik dan over mijn hard-disk kon trekken in geval van twijfel. Het gebeurde wel eens dat ik zo enthousiast over iets geraakte dat ik dacht: “Fok het! Ik doe het gewoon zonder.” Of soms vergat ik het glad. Dat is mij ook al gebeurd.  Ik zeg het, ik ben geen voorbeeld voor de jeugd. Mijn teksten zijn voor achttien plusser die al wat meegemaakt hebben in het leven. Ervaring is de beste saus voor een goed stuk vlees. En ervaring was ook wat mij steeds weer in confrontatie bracht met Excel. Er werd zo vaak naar verwezen. Okay, ik wist wel dat je ermee kon rekenen maar wat dan nog? Daar had ik toch die rekenmachine voor die standaard op elke PC staat? Een tabel maken? Voor zover ik een tabel nodig heb, zal ik die wel in Word maken. Dat is een kleine moeite en veel overzichtelijker. In Word heb je tenminste een leeg blad voor je snufferd. En alles wat je erop zet heb je zelf in de hand. In Excel is alles voorgekauwd. Ik haat voorgekauwd! Ik wil mijn scherm zelf vullen; geen vooropgesteld raster voor mijn ogen tenzij ik het zelf maak. Nu gij!

Zo was ik dus. Excel was voor mij niet meer dan een gehersenspoeld mokkel dat mij wel eens haar regels zou opleggen van hoe de wereld in elkaar zat vooraleer ik ermee kon spelen. En zo bijzonder knap vond ik haar op de koop toe dan ook weer niet, dus waar haalde zij het lef vandaan! Word daarentegen… Word is de blonde del van het Officepakket. Iedereen kan daarmee spelen. Zet boer Charel achter een computer met dat programma actief en hij komt wel aan zijn trekken. Mensen, ik geef het toe. Ik kan niet anders. Ooit was ik ook zo. Microsoft had mij de Marilyn Monroe van de tekstverwerkers WordPerfect afgenomen en vervangen voor een flauwe wannabi. Terwijl Marilyn naast haar imago ook veel diepgang in zich had, concentreerde dit afkooksel zich enkel en alleen op het imago en het gebruiksgemak ervan. De diepgang werd weggewuifd met het idee dat het mensen alleen maar zou afleiden. Toegegeven… Ze hebben gelijk gehad. En ook ik heb ermee leren spelen. Ik ben er aan gewend geraakt. Het gebeurt nog maar héél zelden dat ik nostalgisch eens aan mijn eerste liefde terugdenk. De kracht der instant bevrediging is sterker dan duurzaamheid.

De eerste keer dat Excel zich voor mij op een andere manier openbaarde, ik weet het nog goed, alsof het een uurtje geleden gebeurde, was toen ik op het werk geconfronteerd werd met een simpel tekstbestandje. TXT voor de nerds. In dat bestand zaten de adressen van letterlijk honderden en honderden instanties van het één of het ander. De vraag was: maak daar iets overzichtelijks van. Ik dacht: “Euh… Ben je mal?” maar ik zei: “Tuurlijk! Kaas in het bakkie.” Ik stuurde het bestand door naar de Helpdesk met de vraag of zij daar iets van konden maken. Eén dag later kreeg ik een Excel bestand terug met daarin alles netjes geordend in kolommetjes, met hoofdingetjes, voornamen en achternamen apart, straatnamen en huisnummers gescheiden, de zonenummers en telefoonnummers mooi in twee kolommen, daarbij onderscheid makend tussen GSM en vaste nummers,… Moest Angelina Jolie ineens naakt voor mij staan, ik zou eenzelfde gezicht getrokken hebben. Wat… Hoe… Maar… Echt? Hoe hebben ze dat klaargespeeld? Ik keek naar degene die mijn vraag behandeld had en ging er naartoe. Hij bazelde iets over formules waar ik geen reet van begreep, maar ik was gefascineerd geraakt. “Ik stuur je het bestand wel even door.” Toen ik terug achter mijn bureau in mijn ruime lederen zetel hing zag ik dat het bestand al in mijn mailbox zat. Daarop vond ik waar het allemaal om draaide: formuletjes… Ik zag hoe hij een kopie van de chaos in Excel had geplakt en daar stap voor stap formuletjes over had laten lopen waardoor op het einde alles mooi en netjes gepresenteerd kon worden. Een intellectuele hitsigheid maakte zich van mij meester. Meteen voelde ik in mij de drang om deze kennis tot mijn eigen te maken. Ik liet de vingers van mijn muishand even over mijn tong gaan om ze nat te maken alvorens de muis te beroeren. Met een lichte tinteling in het hoofd opende ik tergend langzaam en voorzichtig een nieuw bestand. Ik kopieerde zorgvuldig een deel van de ruwe gegevens in de eerste kolom terwijl een rilling zich van mijn staartbeen naar mijn oorlellen trok. Mijn mond was droog en mijn ogen gespannen. Ik typte de eerste formule over dat ik zag staan in het bestand dat ik gekregen had. Het werkte! Ik was verliefd! Er was geen weg terug meer. Hier heb ik al mijn gehele leven naar staan zoeken zonder dat ik het wist. Al die jaren van wezenloos zoeken… Ze waren nutteloos. De ware liefde had ik altijd al binnen handbereik zonder dat ik het besefte. Hoe kon ik toch zo blind zijn? Zie hier nu toch, de mooiste van alle programma’s. Typ (de juiste formule) en gij zult krijgen. Hoe perfect kan een huwelijk zijn? Vanaf dan heb ik Excel altijd met liefde opgestart. En ach, we hebben ook al wel eens ruzie. Zij verstaat mij niet altijd en soms moet ik zoeken naar wat zij nu juist wilt zeggen. Of dan zit ik te vloeken tegen haar omdat ik niet krijg wat ik hebben wil. Maar als ik dan eventjes afstand neem, dan besef ik dat ik het niet op de juiste manier gevraagd heb. Logisch toch?

Intussen zijn we al een paar jaren samen en onze relatie groeit nog steeds. Hoewel groeien misschien niet het juiste woord is. Verdiepen is beter. Het is net alsof we samen steeds dieper in elkaar komen. Alsof onze huid wortel geschoten heeft in de huid van de ander, omdat het daar de juiste voeding gevonden heeft. Ik zoek in haar de logica, de rechtvaardigheid, de ordelijkheid en de wijsheid. Zij zoekt in mij de onzekerheid, de humor de creativiteit en de knulligheid. Samen maken we prachtige bestanden die nog lang kunnen meegaan. En als we al eens in een dipje zitten waar we samen niet uit geraken, dan is niemand van ons beide te beroerd om hulp in te roepen. Een blik van buitenaf ziet vaak toch meer dan wanneer je er middenin zit. Misschien bevinden zich onder mijn lezers wel mensen die momenteel in een dergelijk dipje zitten met hun geliefde software en vragen ze zich wie onze therapeut is? Welnu, ik ga daar niet moeilijk over doen. Het is eigenlijk geen therapeut, het is een vriend: Google genaamd. Hij is volledig gratis, vierentwintig op vierentwintig, zeven op zeven beschikbaar. Hij is behoorlijk slim maar de enige vereiste die hij stelt is dat je de situatie nauwkeurig schetst. Je krijgt alleen de hulp die je nodig hebt als je de vraag correct weet te stellen. Gratis blijft gratis natuurlijk. Je moet érgens daarvoor inleveren. Hij gaat dus niet zoals een therapeut zitten puren in jouw zielenwezen totdat hij bij de essentie komt. Nee, je moet de essentie al voor ogen hebben vooraleer je bij hem terecht kunt. Hoedanook, door wat extra tijd te steken in de echt moeilijke vraagstukken kan je dit omzeilen. Als de ene vraag niet werkt, probeer je het met een andere vraag. Net zolang tot je vindt wat je zoekt. Zo wordt liefde onoverwinnelijk als je van tijd tot tijd naar antwoorden zoekt in de grote wijde wereld.

Oudejaarsconversatie

Er zijn van die momenten dat ik mijn uiterlijk niet mee heb. Ik maak mijzelf graag wijs dat het eerder sporadische gevallen zijn bij hoogst uitzonderlijke omstandigheden met mensen die niet al te veel kaas en spek met eieren gegeten hebben toen ze klein waren. Het merendeel van de tijd geeft gelukkig niemand éne zier hoe ik eruit zie. Héél af en toe speelt het dan weer in mijn voordeel; als ik bijvoorbeeld tussen intelligente mensen vertoef.  Maar dat is zelden, dat geef ik toe. Ik ben graag in de minderheid.

De laatste dag van 2016 probeerde ik rustig ademend door te komen. Het was een bewogen jaar, zoals ze dat wel eens zeggen. Bijvoorbeeld, moest een toekomstvoorspeller mij vijf jaren geleden gezegd hebben dat ik in 2016 een stukje grond ter beschikking zou hebben waarop twee bonen, een wortel en een halve spruit zou staan, dan zou ik mijn geld terug gevraagd hebben. Ik ben een avonturier, daar niet van, maar dat ik het ooit zo bont zou maken, nee dat zou mijn jonge onvolgroeide brein nooit aanvaard hebben. En toch is het gebeurd. In het jaar waarop enkelen van mijn goden (en van anderen) stierven bij bosjes zat ik met groene laarsjes een wortel aan te sporen om toch maar flink uit de kluiten te schieten. Veel is er niet aan, aan dat tuinieren. Je steekt een zaadje in de grond en voor de rest ben je maanden bezig om daar tegen te roepen dat het moet groeien “en wel in de juiste richting of ik zal je wat!” Af en toe wat vloeken mag daarbij. Die groeiplaatsen zijn niet voor niets altijd zo een beetje afgelegen.

Daarom wou ik dat bijzondere jaar een beetje rustig afsluiten. Alleen met mijn herinneringen in een omgeving die uitnodigt om jezelf ter aarde te brengen en daar je voetzolen stevig in te drukken. Ik was er dat jaar al zo vaak geweest. En steeds kwam ik dan voorbij weggetjes waar ik het fijne van wou weten. Waar gaan die naartoe? Ik houd van wegen en paden die op het eerste zicht nergens naartoe gaan. Waar iedereen zomaar voorbij rijdt. Die veel mensen geen blik waardig gunnen. Zo’n paadjes trekken mij aan.

Het was koud, mijn neus was vochtig. Kwispelend van ongeduld zag ik eindelijk mijn kans schoon om deze wegen, die glorieus waren in hun niet-glorieusheid, te verkennen. Maar eerst ging ik mijn stukje land slaapwel zeggen. Grond waar ooit een paar van je tranen op gevallen zijn blijft voor altijd dierbaar. Vervolgens sprong ik op mijn stalen ros en zette hem op eerste fitesse. Als je nieuwe wegen wilt verkennen die nog niet geasfalteerd zijn, blijf je best op een snelheid die ergens het midden houdt tussen een shoppende vrouw tijdens de opening van de solden en een kind dat naar zijn moeder toeloopt op het einde van zijn eerste dag kleuterklas. Ik kwam een bordje tegen waarop een man stond afgebeeld die met een hond aan de leiband aan het wandelen was. “Mooi,” dacht ik bij mijzelf, “zo hoort het ook. Dat is een grote troef voor dit pad.” Het laatste wat ik nodig had was één of andere hond die mij op deze laatste dag van het jaar achterna zou rennen omdat het mijn angst voor honden geroken had.

Ik was Zen en Mindfull tegelijkertijd. De frisse koelte van dat tijdstip van het jaar doordrong mijn huid. De van bladeren ontspeende geul waarop ik reed nodigde mij uit om niet achterom te kijken. Het laagje ijs van aangevroren mist op takken en gras vertelde mij dat moedertje natuur nog niet geheel wakker was. Haar wakker maken kwam niet bij me op. Laat haar maar slapen. Ze heeft het verdiend. Zachtjes gleed ik op mijn twee winterbanden doorheen haar landschap. Wat snuift de lucht toch lekker in de winter.

Toen ik het einde van het pad bereikt had kneep ik meteen flink op mijn remmen. In wat voor een sprookje was nu terecht gekomen! Voor mij uit lag een landschap waarin ik drie watervlaktes kon onderscheiden. De één al wat bizarder van vorm dan de ander. Daartussen lag een schoon frisgroen grasperk met hier en daar een stevige boom. Op de wateroppervlaktes zweefde nog een dun laagje winterse mistwolken. Dit was een foto waard. Ik greep naar mijn fotomaker maar eens ik één blik in de lens geworpen had, besefte ik dat dit niet te fotograferen viel. Ik kan geen foto van driehonderd zestig graden maken, inclusief sensorisch materiaal. In plaats van een foto besloot ik een herinnering te maken. Ik concentreerde mij en opende al mijn zintuigen. Zoals bij de allereerste fototoestellen liet ik het geheel van indrukken een tijdje op mijn “lens” vallen zodat een afdruk op de film van mijn geheugen kon gevormd worden. Vervolgens sloot ik mijn ogen en borg de herinnering op in de portfolio van mijn wezen.

Ik zag dat het mogelijk was om volledig langsheen alle watervlaktes te fietsen. Hoe geweldig is dat! Dit idee liet ik mij geen twee keren bedenken. Ik fietste rond elk meertje met het plezier dat zoiets kan meebrengen voor een jongen die in een stad woont. Bij het derde meer zag ik dat er een rode draad in het geheel zat want alles scheen zich naar een huisje wat verderop toe te werken. “Hoe zalig moet het daar wonen zijn!” En daar waar een huis staat, is asfalt nooit veraf, dus daar moest ik naartoe om terug tot bij de beschaving te komen. In de verte zag ik een man wandelen. Waarschijnlijk één van de bewoners die op deze laatste dag van het jaar nog even een frisse neus wou halen. Ik moest toch die kant uit dus ik zou hem wel vriendelijk een goed eindejaar toewensen. Naarmate ik dichter kwam, bemerkte ik echter dat hij niet zozeer aan het keuvelen was maar eerder in kordate tred zichzelf naar mijn richting bewoog. Assertief, dacht ik nog.

“HÈI! WA EDDE GA HIE TE ZUUKE GAST!”

Mijn maag kromp ineens. Mijn hart heeft drie seconden geen klop gedaan terwijl het in mijn hoofd gonsde van de gedachten. Ik begon ineens het plaatje te snappen. Terwijl ik zo vrolijk en vrij rondom die meertjes aan het fietsen was, kreeg die man mij in het snuitje. In zijn ogen was ik eigenlijk niet meer dan langharig werkschuw tuig op een fiets. Op dat moment wou ik dat ik een frisblonde vrouw was met satijnen benen, een prikkelend streepje vacht op de venusheuvel en lelletjes om van te snoepen. Maar nee, ik was een in’t zwart gekleed langharige man met bakkebaarden en een grote neus. Het type dat voor kinder- en soapseries getypecast wordt als schurk voor het kleine volk. Ik moest onmiddellijk en weldra deze man overtuigen van mijn onschuld, maar hoe? Hoe vecht je tegen een vooroordeel? Uit ervaring wist ik dat ontkenning niet helpt. De eerste woorden die ik uitsprak waren te negeren. Mijn stem sloeg over en ik moest naar adem happen. Zo moe word je niet van het fietsen op eerste fitesse, maar de schok die deze man bij mij teweeg bracht, deed mij hijgen en trillen op mijn benen. Ik vertelde dat ik niets zocht, dat ik alleen maar de omgeving wat aan het verkennen was. Nog steeds in zijn agressieve fase blafte hij mij toe dat ik op privé domein was. Hoe dat? Buiten dat bord met die man en dat hondje aan de leiband heb ik niets gezien. Hij zei dat wel meer mensen daar over kijken. Dit was een signaal voor mij om het gesprek open te trekken. Ik sprak hem van het stukje grond dat ik dit jaar mocht gebruiken en dat ik al een gans jaar wel eens wou weten hoe het landschap er verder zou uitzien. “Wat een prachtig landschap is dat hier.” Het maakte deel uit van een vis club, verklaarde hij. Best logisch. En toen wist ik wat moest zeggen om hem voorgoed voor mij te winnen: “Mijn vader had dit moeten weten. Ik ging vroeger vaak met hem gaan vissen. Hij zou dit geweldig gevonden hebben.” Inderdaad. Het verder gesprek ging verder over zijn vissen en zijn club. De voorbije maanden had het clubhuis een paar inbraken te verwerken gehad. “Wat valt daar nou te stelen?” Toen ik de vraag gesteld had, vreesde ik dat hij mij metéén weer verdacht zou vinden. Maar nee, hij ging voort over pakjes chips, flesjes drank en weet ik niet wat nog allemaal. Mijn verstand stond op de status gesloten met het automatische sociaal redding systeem op actief. Het gesprek werd uiteindelijk afgesloten met: “Kom gerust nog eens langs. Gij zijt hier altijd welkom.” Ik slikte het contrast wrang naar binnen. Daar bleef het zeker nog tot twee januari op mijn maag liggen.